Mevr. Drs. ing. G. Stokje
Gietwerk Perspectief, jaargang 27 (2008), november

Eerder verschenen in Gietwerk Perspectief, jaargang 18 (2008)

De Lost Foam-technologie, in het Nederlands ook wel de "verloren schuimmethode" genoemd, kenmerkt zich door het gebruik van een expandeerbaar polymeer, waarmee een model wordt gemaakt voor het te gieten product. Dit model wordt geschuimd in een matrijs, waarna het model wordt afgegoten. Het schuimmodel is een exacte kopie van het uiteindelijke gietstuk. Tijdens het gieten wordt het schuimmodel verdrongen door het vloeibare metaal.
De Lost Foam technologie is ontwikkeld in Amerika en dateert uit 1958. Pas sinds het patent medio jaren tachtig werd vrijgegeven, wordt de technologie ook buiten Amerika toegepast. In dit artikel wordt ingegaan op de diverse stappen van het Lost Foam-proces, een aantal technische aspecten, de voordelen van de technologie en de ontwikkelingen die op dit gebied gaande zijn. De inhoud van het artikel is gebaseerd op praktijkervaringen die met het proces zijn opgedaan.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Door R. Monroe / Silver Anniversary Paper, Division 4 / Steel Founders’ Society of America, Crystal Lake, Illinois Copyright 2005 American Foundry Society
Gietwerk Perspectief, jaargang 26 (2006), nummer 3

Porositeit zou wel eens de meest hardnekkige en meest voorkomende klacht van gietwerkgebruikers kunnen zijn. Bij smeedstukken, bewerkte onderdelen en andere producten kan porositeit worden vermeden door navoeding, mechanische behandeling of geautomatiseerde inspectie van eenvoudige vormen.

Porositeit in gietwerk draagt direct bij aan de bezorgdheid van de klant omtrent betrouwbaarheid en kwaliteit van het product. Het beheersen van de hoeveelheid porositeit hangt af van de mate waarin de oorzaken worden begrepen. Significante verbeteringen in productkwaliteit, praktijkgedrag en betrouwbaarheid van het ontwerp kunnen worden bereikt als de porositeit in gietwerk kan worden beheerst of volledig worden geëlimineerd.

Porositeit in gietwerk wordt over het algemeen veroorzaakt doordat gasbellen gedurende het stolproces in het gietstuk worden gevangen. Porositeit kan voortvloeien uit tijdens het vulproces ingevangen lucht uit slink, ontstaan gedurende de stolling, uit gaten ten gevolge van gasexplosies door slecht ontluchte kernen, uit vormwandreacties of uit tijdens het smelten opgenomen gassen en ontstane droes of slak.

Dit artikel is een actualisering van een presentatie die in 1980 op het AFS Casting Congress werd gehouden (1). Er is getracht het genoemde werk te beoordelen en een handleiding te maken om het verschijnsel porositeit in gietwerk te begrijpen en te beheersen. In 1981 werd al een artikel over de vermelde presentatie gepubliceerd (2).

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
C. Labrecque, M. Gagné (Rio Tinto Iron & Titanium Inc., Montreal, Canada), A. Javaid (CANMET/MTL, Ottawa, Canada)
Gietwerk Perspectief, jaargang 26 (2006), nummer 2

Dunwandig nodulair gietijzer voor lichtgewicht componenten in de automobielindustrie werd in het verleden slechts in beperkte mate toegepast. Gieterijen bezaten beperkte mogelijkheden om dit materiaal in dunwandige gedeelten (2-3 mm) in giettoestand carbidevrij te produceren. 

Om een technologie te ontwikkelen die de productie van dergelijke gietstukken mogelijk zou maken, heeft de industrie gedurende bijna tien jaar geld en tijd geïnvesteerd. Een sleutelparameter bij de
productie van dunwandige gietstukken in nodulair gietijzer is de realisatie van een noduulaantal tussen de 500 en 700 nodulen/mm² aangezien bij dit aantal de mechanische eigenschappen en de structuur optimaal zijn. Dit noduulaantal wordt bereikt door de afkoelsnelheid van de stukken onder controle te houden en door de entingsprocedure te optimaliseren.
Dit artikel beschrijft de resultaten van een studie die is uitgevoerd in een proefgieterij waarbij volgende parameters zijn bestudeerd:

  • optimalisatie van de toevoeging van een isolerend materiaal aan het vormmateriaal om de warmteoverdracht aan het contactoppervlak vorm / metaal te controleren en daarmee de onderkoeling om zo carbidevorming te vermijden;
  • selectie van de geschikte entingsprocedure om het noduulaantal op het gewenste niveau te brengen;
  • bepaling van een minimum siliciumgehalte om de eigenschappen en de kosten te optimaliseren.
Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
L.J. Kikkert, Componenta BV
Gietwerk Perspectief, jaargang 26 (2006), nummer 1

Zowel in de internationale normen als in de literatuur worden vermoeiingseigenschappen van lamellair en nodulair gietijzer gegeven. Vooral de laatste jaren is er op dit gebied een toename te zien in tijdschriftartikelen maar ook als onderwerpen bij symposia en congressen waarop vermoeiingseigenschappen in relatie tot ontwerpmethodieken, mogelijke gietfouten en inspectiemethoden worden behandeld.

Het streven naar gewichtsvermindering en ten gevolge daarvan kritischer ontwerpen is hier mede debet aan. Dat is derhalve ook de reden dat de hoeveelheid beschikbare gegevens voor nodulair gietijzer een veelvoud is van datgene wat voor lamellair gietijzer is gepubliceerd.

Bij het bestuderen van deze literatuur blijkt het in het bijzonder en bij herhaling te gaan over de relatie tussen oppervlaktegesteldheid, gietfouten en vermoeiingseigenschappen. Het nadeel is echter dat men voor het bepalen van deze eigenschappen steeds weer andere beproevingsmethoden (roterende buiging, 4-punts buiging, trek/druk) toepast zodat de resultaten niet altijd vergelijkbaar zijn en toepassing op reële gietstukken niet eenvoudig is.

Met dit artikel wordt beoogd de resultaten van de diverse onderzoeken zo samen te vatten, dat deze kunnen worden gebruikt voor reële gietstukken om op die manier een indruk te krijgen van de vermoeiingseigenschappen van het materiaal en van de toelaatbare spanningen.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Joop Kikkert, Componenta BV
Gietwerk Perspectief, jaargang 26 (2006), nummer 1

In juli 1997 is door het Europese Parlement en de Raad de richtlijn Druckgeräterichtlinie 

97/23/EG betreffende drukapparatuur van kracht geworden. In deze richtlijn wordt de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten van de Europese gemeenschap geregeld met
betrekking tot drukapparatuur. In een bijlage van deze richtlijn zijn de essentiële veiligheidseisen die ten aanzien van ontwerp, materiaaltoepassing en fabricage van drukapparatuur moeten worden
gesteld, vastgelegd.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Prof.a.D. Dr.-Ing. Reinhard Döpp
Gietwerk Perspectief, jaargang 25 (2005), nummer 5/6

Het artikel "De ontwikkeling van het gegoten product" lijkt een historisch overzicht van de laatste vijftig jaar in de gieterij-industrie, maar het zijn wel de onderwerpen die gieterijtechnici nog altijd dagelijks bezighouden.

De in die periode vergaarde kennis en inzichten vormen de basis van alle huidige ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld de grafiet-structuur in vermiculair gietijzer en de ontwikkelingen in de thermische analyse.

Met dit artikel benadrukt de auteur nog maar eens de noodzaak van een continue voorlichting voor de gietwerkgebruiker en, niet te vergeten, aan de jongere generatie gieterijtechnici.

Dit artikel is gebaseerd op onderzoeken van vele medewerkers en omvat 5 onderwerpen:

  • een basisdiagram voor gietijzer;
  • een structureel gevecht tegen warmtescheuren;
  • de thermische analyse van ijzer en niet-ijzer legeringen;
  • de eutectische stolling van Fe-C-Si-X legeringen
  • progressieve productietechnieken.
Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Dipl.-Ing. C. Heisser, Dr.-Ing. Jörg C. Sturm
Gietwerk Perspectief, jaargang 25 (2005), nummer 5

Het gebruik van gietijzer met vermicu­laire grafiet neemt toe, met name bij onlangs ontwikkelde gegoten motorblok­ken. De succesvolle introductie van dit relatief nieuwe materiaal binnen de we­reld van ontwerpers van gietwerk vereist van gieterij-ingenieurs een gedetailleerde voorspelling van de materiaaleigenschap­pen en kennis van het gietproces. Er is nieuwe simulatiesoftware ontwikkeld via gietproeven en een nauwkeurige microstructuuranalyse met als doel het slinkgedrag en de microstructuur; zoals de nodulariteit, te voorspellen. Deze laat­ste twee factoren zijn belangrijk voor de uiteindelijke mechanische eigenschappen van het gietstuk. Dit artikel beschrijft de ontwikkeling van deze nieuwe gietsi­mulatiesoftware waarbij gietwerk uit de productie wordt vergeleken met simula­tieresultaten.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
K.L. Hayrynen, K.R. Brandenberg, J.R. Keough / Applied Process Technologies Division, Livonia, MI
Gietwerk Perspectief, jaargang 25 (2005), nummer 5

Het bainiteerproces is een warmtebehandeling van hoge kwaliteit die, wanneer het wordt toegepast op gietijzer, gietstukken realiseert die in veel gevallen superieure eigenschappen hebben in vergelijking met stukken die op een conventionele manier zijn vervaardigd. Gietijzers die op deze manier kunnen worden behandeld, zijn nodulair gietijzer, lamellair gietijzer en wit gietijzer.

Dit artikel geeft toepassingsvoorbeelden van de bainitisch nodulaire gietijzers, ook wel ADI - Austempered Ductile Irons - genoemd. Productvoorbeelden worden besproken, samen met de specifieke materiaaleigenschappen die doorslaggevend zijn in de keuze van ADI boven andere concurrerende materialen. Deze voorbeelden illustreren waarom ADI gietijzers worden gekozen voor hoge sterkte toepassingen.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
E.N. Straatsma en L. Katgerman, Technische Universiteit Delft, Laboratorium voor Materialen
Gietwerk Perspectief, jaargang 25 (2005), nummer 4

De microstructuur van gegoten strip wijkt af van die van conventioneel gegoten materiaal ten gevolge van een hogere afkoelsnelheid. Omdat de uiteindelijke eigenschappen van gegoten strip [1-3] grotendeels worden bepaald door de gietstructuur, is het belangrijk om te weten welke structuren kunnen optreden en hoe deze door toevoeging van legeringselementen en wijziging van de gietparameters zijn te beïnvloeden.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
F. Mampaey
Gietwerk Perspectief, jaargang 25 (2005), nummer 3

Dit artikel is een verkorte versie van een publicatie in AFS Transactions die in april 2005 verscheen (F. Mampaey “Image Analysis of Graphite Particles by a Mathematical Description of the Particle Contour” AFS 05-155).

Grafiethoudende gietijzersoorten komen voor met een breed scala van grafietvormen. In nodulair gietijzer treden ronde nodulen op terwijl in lamellair gietijzer meestal lamellen van het A-type gewenst zijn. Het hoofdbestanddeel van vermiculair gietijzer wordt gevormd door wormvormige grafiet. Alle mogelijke tussenvormen kunnen tijdens de stolling ontstaan.

Bovendien zijn er van het lamellaire type verschillende andere vormen mogelijk, te weten evenwijdig als type E-, rozetvormig als type B- of zeer fijn als type D-grafiet. De overgang van nodulen via wormen tot lamellen vormt de belangrijkste parameter met betrekking tot de sterkte van gietijzer. De juiste identificatie van de grafietvorm is dus van bijzonder belang. Voor de opkomst van digitale fotografie gebeurde de classificatie van grafiet door vergelijking van gepolijste structuren met referentiebeelden (ISO 945, 1975).

Deze referentiebeelden geven indicaties betreffende de grootte van A-lamellen, de mate van rondheid van de nodulen (type IV tot VI) of van de noduulgrootte. Andere referentiebeelden helpen bij het schatten van de fractie nodulen in vermiculair gietijzer (SinterCast). Eén van de belangrijke nadelen van menselijke vergelijking met referentiebeelden is een gebrek aan objectiviteit en betrouwbare resultaten. Voor mensen is het bijzonder moeilijk om een gemiddeld beeld te resumeren wanneer mogelijk tientallen beelden van een monster onder de microscoop worden bekeken. Mensen blinken daarentegen uit in patroonherkenning. Bijna ogenblikkelijk kunnen mensen type type E of type B grafiet herkennen in structuren met overwegend A-lamellen.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Frans Mampaey, WTCM Verwerking van Materialen te Gent / Zwijnaarde
Gietwerk Perspectief, jaargang 25 (2005), nummer 3

Vermiculair gietijzer is een intermediaire vorm tussen lamellair en nodulair gietijzer. Wormvormige grafiet ontstaat binnen zeer enge grenzen van het vrije magnesiumgehalte. Bovendien spelen ook de metallurgische toestand van de basissmelt en de enting een rol.

Vermiculair gietijzer is daarom moeilijk te produceren omdat het procesvenster bijzonder klein is. Immers, voor industriële gietstukken wil men het aandeel van wormvormige grafiet bij voorkeur laten variëren tussen 70 en 90%. Men accepteert minimaal 10% procent nodulen om het risico voor het optreden van lamellaire grafiet te beperken. Traditionele methoden, gebruikt voor de productie en de controle van nodulair gietijzer, zijn hierdoor niet meer geschikt.

 

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Koos Heijboer - Regional Manager Europe, Allied Minerals Products, Inc.
Gietwerk Perspectief, jaargang 25 (2005), nummer 1

Vuurvaste materialen kunnen op verschillende manieren worden ingedeeld, bijvoorbeeld op basis van chemische eigenschappen: 

  • zuur - SiO2 basis
  • basisch - MgO, CaO basis
  • neutraal - Al2O3 basis

of op basis van vormgeving:

  • gevormd en gebakken
    stenen
  • voorgevormd en gedroogd
    prefab vormstukken uit beton
  • ongevormd (of monolithisch)
    beton, stampmassa’s en droge massa’s
  • vezelproducten
    keramische vezelproducten
Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
W. Hauke
Gietwerk Perspectief, jaargang 24 (2004), nummer 5

Om nodulair gietijzer succesvol met een convertor te produceren, moet de productie dusdanig ontworpen zijn dat minstens 4 ton vloeibaar ijzer per uur kan worden behandeld. 

De convertor is de kostengunstigste Mg behandelingsmethode voor basisijzer zowel uit een koepeloven als uit een electro-oven. Een voorafgaande ontzwavelingsbehandeling is niet nodig. Door de toevoeging van kleine hoeveelheden zuiver magnesium zijn de kosten aan behandelingsmiddel per ton relatief laag.
Convertorpannen zijn beschikbaar in capaciteiten van 1 tot 10 ton en kunnen door verrijdbare of stationaire manipulatoren aan alle gieterijvoorwaarden worden aangepast.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
C.J. van Ettinger, gieterij Doesburg en W. Baumgart, OCC GmbH
Gietwerk Perspectief, jaargang 24 (2004), nummer 5

Het hierna volgende artikel doet verslag van de resultaten van een studie naar de relatie tussen de afkoelkrommen en de stollingsstructuur. Verder wordt het aantal temperkooldelen van zwart smeedbaar gietijzer toegelicht. Ook wordt een nieuw ontwikkelde monstercup voor de thermische analyse van behandeld nodulair gietijzer gepresenteerd en wordt voor de nodulariteitsbepaling en het noduulaantal een classifi catie van afkoelkrommes gepresenteerd.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Prof. ir. Laurens Katgerman, Nederlands Instituut voor Metaal Research (NIMR) en Laboratorium voor Materiaalkunde, TU Delft
Gietwerk Perspectief, jaargang 24 (2004), nummer 4

Voor de ontwikkeling van constructiematerialen is het van groot belang dat eigenschappen zoals sterkte bij hoge temperatuur, dichtheid en stijfheid worden verbeterd terwijl de vervaardigingkosten worden verlaagd. De bereikte eigenschappen kunnen leiden tot gewichtsreducties wat weer aanleiding kan geven tot langere standtijden, brandstofreductie, enzovoorts.

De behoefte aan dit soort verbeteringen is een belangrijke drijfveer voor proces- en legeringontwikkelingen bij aluminiumlegeringen voor constructieve toepassingen. Gedurende de laatste decennia zijn aanzienlijke vorderingen gemaakt op het gebied van de modellering van het stolling- en het gietproces.

Met de toegenomen kracht van computers en processors kunnen nu vele aspecten van multidisciplinaire fenomenen op macroscopische schaal worden gemodelleerd. Hieronder verstaan we bijvoorbeeld vrije oppervlaktestroming, warmte- en vloeistoftransport, thermische spanningen en vervormingen.

Desondanks blijft de toepassing van dergelijke berekeningresultaten in gietprocessen uit de praktijk en op de voorspelling van het stolgedrag van gietwerk één van de resterende uitdagingen op de weg naar het succesvol simuleren van de stolling.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
C.J. van Ettinger, gieterij Doesburg en W. Baumgart, OCC GmbH
Gietwerk Perspectief, jaargang 24 (2004), nummer 4

Het hierna volgende artikel doet verslag van de resultaten van een studie naar de relatie tussen de afkoelkrommen en de stollingsstructuur. Verder wordt het aantal temperkooldelen van zwart smeedbaar gietijzer toegelicht. Ook wordt een nieuw ontwikkelde monstercup voor de thermische analyse van behandeld nodulair gietijzer gepresenteerd en wordt voor de nodulariteitsbepaling en het noduulaantal een classifi catie van afkoelkrommes gepresenteerd.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
H.G. Levelink
Gietwerk Perspectief, jaargang 24 (2004), nummer 3

Dit onderzoek werd opgezet om na te gaan welke invloed bedrijfsomstandigheden kunnen hebben op de kwaliteit van vormzand. In het eerste deel van het artikel werden kwaliteitscriteria en kwaliteitsniveaus behandeld en werd uitvoerig stilgestaan bij de invloed van het mengproces op de kwaliteit van vormzand. Het tweede deel behandelt de processturing en de procesbeheersing. In een bijlage worden de gebruikte beproevingsmethodieken samengevat.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Foseco International Ltd.
Gietwerk Perspectief, jaargang 24 (2004), nummer 3

Numerieke simulatie van warmtetransport gedurende het gietproces kan het vermoedelijke optreden van gietfouten als stollingslink onthullen. Om tot nauwkeurige rekenmodellen voor het beschrijven van de stolling te komen zijn correcte procesdata echter noodzakelijk. 

Van de betreffende legering is, naast de nauwkeurige waarden voor de warmtegeleiding, de specifieke warmte, de dichtheid en de latente stollingswarmte ook de warmteoverdrachtscoëfficiënt, h,
van belang. Deze coëfficiënt beschrijft de situatie aan het grensoppervlak tussen de verschillende fasen ofwel de randvoorwaarden waarbinnen het mathematische probleem moet worden opgelost. Met
andere woorden beschrijft de warmteoverdrachtscoëfficiënt de manier waarop het warmtetransport plaatsvindt tussen gietstuk en gietvorm.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
H.G. Levelink
Gietwerk Perspectief, jaargang 24 (2004), nummer 2/3

Samenvatting Deel 1/2
Met het oog op maatregelen, nodig om de stijgende afzetkosten van vormzandreststoffen van ijzergieterijen het hoofd te bieden werd op initiatief van de stuurgroep ‘Gieterijreststoffen’ een tweeledig onderzoek ingesteld. Enerzijds werd gekeken naar de invloed van de bedrijfsomstandigheden en de omvang van de reststromen en anderzijds werd nagegaan op welke wijze de bedrijfsomstandigheden de zandkwaliteit beïnvloedden. Het doel van beide delen van het onderzoek was om met behoud van de vormzandkwaliteit zowel via grondstofbesparingen de reststroom in te perken alsook de kwaliteit van de reststroom te optimaliseren zodat deze eventueel voor een hoogwaardige toepassing buiten de gieterij zou kunnen worden ingezet. Over de omvang van de reststromen was al eerder bericht (1). Het hierna volgende artikel (te publiceren in twee delen) behandelt de kwaliteit van het vormzand en de manier waarop de gewenste kwaliteit kon worden gehandhaafd. Het eerste deel behandelt de kwaliteitscriteria en het mengproces.
1. H.G. Levelink – De afzet van reststoffen van kleigebonden vormzand - Gietwerk Perspectief, vol. 14 (1994), nr. 5, pag. 4 – 7

Samenvatting Deel 2/2
Deel twee behandelt het onderzoek dat werd opgezet om na te gaan welke invloed bedrijfsomstandigheden kunnen hebben op de kwaliteit van vormzand. In het eerste deel van het artikel werden kwaliteitscriteria en kwaliteitsniveaus behandeld en werd uitvoerig stilgestaan bij de invloed van het mengproces op de kwaliteit van vormzand. Het tweede deel behandelt de processturing en de procesbeheersing. In een bijlage worden de gebruikte beproevingsmethodieken samengevat.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
H.G. Levelink
Gietwerk Perspectief, jaargang 24 (2004), nummer 2

Met het oog op maatregelen, nodig om de stijgende afzetkosten van vormzandreststoffen van ijzergieterijen het hoofd te bieden werd op initiatief van de stuurgroep ‘Gieterijreststoffen’ een tweeledig onderzoek ingesteld. Enerzijds werd gekeken naar de invloed van de bedrijfsomstandigheden en de omvang van de reststromen en anderzijds werd nagegaan op welke wijze de bedrijfsomstandigheden de zandkwaliteit beïnvloedden. Het doel van beide delen van het onderzoek was om met behoud van de vormzandkwaliteit zowel via grondstofbesparingen de reststroom in te perken alsook de kwaliteit van de reststroom te optimaliseren zodat deze eventueel voor een hoogwaardige toepassing buiten de gieterij zou kunnen worden ingezet.

Over de omvang van de reststromen was al eerder bericht (H.G. Levelink – De afzet van reststoffen van kleigebonden vormzand - Gietwerk Perspectief, vol. 14 (1994), nr. 5, pag. 4 – 7).

Het hierna volgende artikel (te publiceren in twee delen) behandelt de kwaliteit van het vormzand en de manier waarop de gewenste kwaliteit kon worden gehandhaafd. Het eerste deel behandelt de kwaliteitscriteria en het mengproces.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Lars Erik Björkegren (1) en Kenneth Hamberg (2)
Gietwerk Perspectief, jaargang 24 (2004), nummer 1

Auteurs: Lars Erik Björkegren (1) en Kenneth Hamberg (2)

1. Research Manager, Swedish Foundry Association, Jönköping, Sweden
2. Assistant Professor, Chalmers Lindholmen, Technical University, Göteborg, Sweden

Samenvatting
De hardheid van ferritisch nodulair gietijzer is ten opzichte van nodulair gietijzer met een ferritisch-perlitische matrix (EN-GJS-500-7) meer uniform verdeeld over het gietstuk.

Uit de kwaliteit EN-GJS-500-7 vervaardigd gietwerk bestrijkt het complete genormaliseerde hardheidsgebied van 170-230 HB en is daardoor moeilijker te bewerken. Om te komen tot een vervanger voor de gestandaardiseerde nodulaire gietijzersoort EN-GJS-500-7 is een nodulaire gietijzerlegering met een hoog siliciumgehalte ontwikkeld. Silicium heeft echter een sterke ferrietstabiliserende werking en brengt tegelijkertijd een sterk oplossingshardend effect teweeg in het ferriet wat de taaiheid nadelig kan beïnvloeden. Dit doet zich vooral voor in combinatie met andere legeringselementen zoals fosfor.

De bewerkbaarheid van het materiaal is door middel van bewerkingsexperimenten onderzocht waarbij de index van de bewerkbaarheid is bepaald. Daarnaast zijn gietstukken in hun werkomgeving getest. In het eerste geval geeft Muhren’s model een theoretische kostenreductie van 10% [5]. Om dit te verifiëren is een aantal onderdelen gegoten en bewerkt in een normale bewerkingsstraat. Het gebruik van ferritisch nodulair gietijzer tijdens de productieproeven leverde - door een hogere materiaalvoeding en een hogere snijdsnelheid - een tijdbesparing op van 5 tot 20%. Hoewel de resultaten niet konden worden gekwantificeerd was daarnaast de geluidsoverlast tijdens de bewerking aanzienlijk kleiner. De mechanische eigenschappen van het nieuwe materiaal zijn beter of gelijk aan die van het conventionele nodulaire gietijzer met een kwaliteit volgens EN-GJS-500-7. In Zweden heeft men het materiaal de nieuwe classificatie SS 0725 (SS = Swedish Standard) gegeven. Het materiaal, dat in de nieuwe ISO standaard zal worden aangeduid met GJS 500-10, moet aan specifieke eigenschappen voldoen.
Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Ir. O.F. Niens
Gietwerk Perspectief, jaargang 23 (2003), nummer 6

In 1999 startte de ontwikkelingsafdeling van Saab Automobile te Trollhättan met de ontwikkeling van een nieuwe 5-versnellingsbak. Deze F35 kabelbediende bak wordt gekoppeld aan een scala van motoren in het koppelbereik tot 350 Nm. De stap van een zandgegoten gietstuk uit nodulair gietijzer naar een in verloren-was gegoten stalen gietstuk was noodzakelijk vanwege hogere eisen aan slijtvastheid, nauwkeurigheid en produceerbaarheid. Dit artikel beschrijft hoe de ontwikkeling van de shiftcilinder, onderdeel van deze versnellingsbak, tot stand is gekomen.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
C.M. Ecob en C. Hartung, Elkem ASA, Noorwegen
Gietwerk Perspectief, jaargang 23 (2003), nummer 4

Dit artikel geeft een overzicht van de eigenschappen die worden verwacht van vermiculair gietijzer dat zich bevindt tussen grijs en nodulair gietijzer. De beide algemeen aanvaarde productiemethodes worden behandeld, namelijk ‘onderbehandeling’ met magnesium en een gecombineerde magnesium en titaan behandeling die eerst de noduulvorming bevordert en daarna weer onderdrukt.

De voor- en nadelen van deze beide methodes worden besproken en vergeleken met een nieuwe, speciaal voor de productie van vermiculair gietijzer ontwikkelde legering. Het nieuwe proces verschaft bredere productiemogelijkheden en heeft niet het nadeel dat het omloopmateriaal wordt verontreinigd met titaan. Andere factoren bij de productie van vermiculair gietijzer, zoals de samenstelling van het basismateriaal, de zuurstofconcentratie, het enten en het zogenaamde vóórenten worden belicht.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
R. Sillen, Technisch directeur NovaCast AB
Gietwerk Perspectief, jaargang 23 (2003), nummer 4

Bij de productie van gietstukken in gietijzerlegeringen is het belangrijk dat het vereiste koolstofequivalent met grote nauwkeurigheid kan worden bereikt om goede resultaten te verkrijgen. Bij elektrisch smelten maakt men meestal bij een bepaalde temperatuur een analyse van de basissmelt met behulp van een spectrometer.

Deze analyseresultaten - en in het bijzonder die voor koolstof en silicium - worden gebruikt om te berekenen wat voor toevoegingen nodig zijn om de beoogde eindanalyse te bereiken. De gebruikelijke toevoegingen om het koolstofequivalent te corrigeren zijn ferro-silicium en/of een koolstofdrager, bijvoorbeeld grafiet. De meeste gieterijen trachten het koolstof- en het siliciumgehalte binnen goed bepaalde limietwaarden te houden. Het koolstofequivalent kan hoe dan ook sterk variëren, zelfs als koolstofen siliciumgehalte binnen deze grenzen blijven.

Bovendien kan de nauwkeurigheid van de koolstofanalyse variëren, afhankelijk van het type spectrometer. Variaties in koolstofequivalent kunnen in gietstukken zowel verschillende metallurgische fouten veroorzaken, zoals grafietflotatie, macroslink, expansie penetratie, niet correcte vorm van de grafiet, alsook variaties in de fysische eigenschappen.

Daarom is het belangrijk de smelt en de behandelingsprocessen te kunnen controleren zodat het beoogde koolstofequivalent kan worden bereikt met minimale schommelingen terwijl koolstof- en siliciumgehalte binnen hun limieten worden gehouden. NovaCast heeft een methode ontwikkeld die gieterijen in staat stelt met hoge nauwkeurigheid het beoogde koolstofequivalent te bereiken waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van een thermische analyse.

De traditionele methodes en deze nieuwe methode worden hieronder beschreven. Aangenomen wordt dat in de gebruikte voorbeelden om de verschillende principes te visualiseren, de finale correctie van de smelt werd gedaan door toevoeging van silicium in de vorm van bijvoorbeeld ferrosilicium. De methode van NovaCast is toegepast in hun product ATAS White.

Deze publicatie is eerder verschenen in Gietwerk Perspectief - jaargang 23- nummer 2003/04

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Stefan Erents - Corus IJmuiden Technology Centre
Gietwerk Perspectief, jaargang 23 (2003), nummer 3

Nieuwe ontwikkelingen in het ontwerptraject kunnen leiden tot een vermindering van gewicht en kosten en een verbetering van eigenschappen van sterktekritische producten. Sterktekritische onderdelen vindt men onder meer in de transportsector waar de factor gewicht een aanzienlijke rol speelt.

Er is namelijk niet alleen sprake van statisch gewicht maar ook van een situatie waarbij elke gram steeds in beweging moet worden gezet en dus energie verbruikt. Hierdoor ontketent elke gram gewichtsbesparing theoretisch een kettingreactie aan gewichtsbesparingen op overige componenten zoals motor en remmen en maakt uiteindelijk een verhoging van het laadvermogen mogelijk.

In de transportsector is kostenbesparing de voornaamste drijvende kracht bij productoptimalisatie. Het grootste deel van de kostprijs van een product wordt bepaald door beslissingen die worden genomen binnen het ontwerptraject. Veel bestaande producten zijn overgedimensioneerd en niet geoptimaliseerd naar het productieproces. Door nieuwe technieken, die beschikbaar zijn gekomen in de ontwerpfase, toe te passen is hier veel geld te verdienen. Een sterktekritische lassamenstelling met een eenvoudige geometrie en met de functie van schokdempersteun werd gekozen als voorbeeld om te laten zien hoe de toepassing van nieuwe ontwerptechnieken kan leiden tot een werkelijke productoptimalisatie, die leidt tot een gewichtsbesparing van ongeveer 50% bij eenzelfde productprestatie.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Cees van Eldijk - Corus IJmuiden Technology Centre
Gietwerk Perspectief, jaargang 23 (2003), nummer 2

Bij het (her)ontwerpen van sterktekritische onderdelen worden steeds zwaardere eisen gesteld zoals een hogere sterkte, een lager gewicht, de integratie van functies en . . . lagere kosten. Dit zal leiden tot een toenemende vraag naar oplossingen in gietstukken, waarbij dun nodulair gietijzer (DNG) een sterke troef is. Onder ‘dun nodulair gietijzer’ wordt hier een nodulair gietijzer met een minimale wanddikte van 2 mm verstaan.

De materiaalvariant DNG is ontwikkeld en onderzocht tijdens twee onderzoeksprojecten( 1), die in de periode van 1990 tot 2000 zijn uitgevoerd door een consortium van gieterijen, onderzoekscentra en de maakindustrie. Uit de onderzoeken kan worden geconcludeerd dat DNG de beste oplossing biedt ten aanzien van gewicht, kosten en slankheid van de constructie in vergelijking met staal en aluminium voor functies waar de sterkte kritisch en de vorm complex is.

Dit potentieel van nodulair gietijzer wordt nu niet benut, hoewel alle nodige technologie, zoals computerondersteunde ontwerptechnieken, processimulatie, rapid prototyping en voldoende kwaliteitsbeheersing in het productieproces beschikbaar is. Volledige exploitatie van dit potentieel van dun nodulair gietijzer zal de concurrentiepositie van de maakindustrie verbeteren en zal de gieterijen en ingenieursbureaus betere marges opleveren.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
J. Haverkamp - Hogeschool Arnhem en Nijmegen
Gietwerk Perspectief, jaargang 23 (2003), nummer 1

De stollingsstructuur van wit (temper) gietijzer is in de regel dendrietisch als gevolg van het lage koolstofequivalent maar kan echter variëren van exogeen tot endogeen.

In een uitvoerig onderzoek, uitgevoerd bij gieterij Doesburg, naar de toepassing van de thermische analyse van en de relatie tot de stollingsstructuur van zwart smeedbaar gietijzer rees de vraag hoe de stollingsstructuur duidelijk zichtbaar kon worden gemaakt en - nog belangrijker – zou kunnen worden vastgelegd in een plaatje (1). Hoe duidelijker de stollingsstructuur, des te beter men de structuur
kan classificeren. Bovendien wordt het meten aan een structuur ook een stuk eenvoudiger.

Dit artikel is eerder verschenen in Gietwerk Perspectief - jaargang 23 - nummer 1/2003

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
C. Nyahumwa, N.R. Green, J. Campbell
Gietwerk Perspectief, jaargang 22 (2002), nummer 5

De cumulatieve frequentieverdeling van de vermoeiingssterkte van gietlegeringen wordt gekenmerkt door een aantal verschillende platformen en treden. Er is een techniek ontdekt die het bestaan van een ultieme trede aantoont en laat zien dat sommige gangbare aluminium gietlegeringen in het gunstigste geval slechts 1% van hun potentiële levensduur bereiken. Verwacht mag worden dat de duurzaamheid nog verder zal afnemen wanneer deze materialen worden gebruikt in combinatie met een gebrekkige giettechniek. Verder is geconstateerd dat de vermoeiingslevensduur van het meeste aluminium gietwerk kan worden verbeterd met een factor 100 tot 10.000 als aandacht wordt geschonken aan zowel de kwaliteit van het metaal als aan de giettechniek. Het wordt als een reële mogelijkheid beschouwd dat het grote aantal dubbele oxidefilms, dat aanwezig blijkt te zijn in vloeibaar aluminium en dat bepalend is voor de eigenschappen van gietwerk, meestal blijft bestaan na stolling en deformatie. De aanwezigheid van deze oxidefilms in kneedlegeringen bepaalt dus op vergelijkbare wijze het optreden van mankementen in het gehele gebied van de metallurgie van aluminium.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Luc Vereecken
Gietwerk Perspectief, jaargang 22 (2002), nummer 4

Door de jaren heen werden heel wat verschillende technieken ontwikkeld om een gietvorm in bentoniet gebonden vormzand te verdichten. Voor gieterijen is het noodzakelijk om de juiste keuze te maken uit de in de markt voorhanden zijnde verdichtingsmethoden. Dit artikel geeft een beter inzicht in de typische eigenschappen van de verschillende op de markt zijnde vormmethoden.

Eerder verschenen in GP nummer 4 van 2002

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
John Campbell
Gietwerk Perspectief, jaargang 22 (2002), nummer 3

Veel controles zijn noodzakelijk om de kwaliteit van gietstukken te kunnen garanderen. De meeste hiervan zijn bekend en komen in dit artikel niet aan de orde. De parameters die vaak over het hoofd worden gezien en dus niet worden gecontroleerd, zijn (i) de snelheid van het vloeibare metaal in de vorm om oppervlakteturbulentie te vermijden en het soort macroscopische scheurachtige fouten tengevolge van ingesloten oppervlaktevliezen en (ii) de afschriksnelheid die volgt op een warmtebehandeling. Als gevolg van ontbrekende controle op deze twee kritische parameters vertonen gietstukken traditioneel willekeurige gebreken zoals lekkage en mechanische gebreken en dan met name vermoeiing. Mechanische gebreken worden versterkt door inwendige spanningen die het vroegtijdig falen tijdens gebruik bespoedigen. Men gaat ervan uit dat deze gebreken de voornaamste redenen zijn waardoor gietstukken vroeger werden beschouwd als onbetrouwbaar, vergeleken met andere productietechnieken zoals smeden. Technieken om zowel de oppervlakteturbulentie alsook de inwendige spanningen te controleren zijn respectievelijk (i) het beheersen van de stroomsnelheid van het metaal in de vorm tot maximaal 0,5 m/sec en (ii) het elimineren van het afschrikken in water van gietstukken na een warmtebehandeling. Verwacht wordt dat deze maatregelen ertoe zullen leiden dat gietstukken voortaan worden beschouwd als ‘absoluut betrouwbare producten’.

Dit artikel is eerder verschenen in Gietwerk Perspectief jaargang 2002 nr. 3

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
P.M.F. van Spaandonk, Van Voorden Gieterij BV te Zaltbommel
Gietwerk Perspectief, jaargang 22 (2002), nummer 3

Dit artikel beschrijft het onderzoek naar de invloed van de chemische samenstelling op de slinkneiging van gietlegeringen. Het onderzoek heeft plaatsgevonden bij Van Voorden Gieterij BV te Zaltbommel, een middelgrote ferro- en non-ferrogieterij. Deze gieterij vervaardigt zowel scheepsschroeven tot 4 meter in een tweetal koperlegeringen alsook industrieel gietwerk in een diversiteit aan ferro-legeringen. Het totale materiaalpakket hiervoor omvat laag- tot hooggelegeerd gietstaal en daarnaast diverse soorten grijs, ongelegeerd en gelegeerd nodulair gietijzer en hooggelegeerd wit gietijzer. Van Voorden is gespecialiseerd op het gebied van de slijtvaste, hooggelegeerde witte gietijzersoorten waaruit kwalitatief hoogwaardige slijtdelen voor de baggerindustrie worden vervaardigd. De stukgewichten die worden gegoten, variëren van enkele tientallen kilo’s tot 24 ton.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
A. Bordes en K. Reinders
Gietwerk Perspectief, jaargang 22 (2002), nummer 1

In dit artikel is gepoogd om de samenhang van de voornaamste ontwikkelingen met betrekking tot de ijzergieterijen in beeld te brengen. Het is derhalve geen historisch overzicht en de enkele tijdsaanduidingen hebben geen ander doel dan aan te geven hoe de stand van de ontwikkeling omstreeks die tijd was. Nog minder beoogt het artikel een volledig overzicht te geven van de technische veranderingen die er in de loop der jaren zijn geweest.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
C.J. van Ettinger - Gieterij Doesburg
Gietwerk Perspectief, jaargang 21 (2001), nummer 6

Na een revisie van een 42 tons kanaaloven waarbij de gehele vuurvaste bekleding werd vervangen wordt een toename van het boriumgehalte in de smelt vastgesteld van 40-55 ppm. Het vuurvaste materiaal bevat een binder op basis van borium oxide c.q. boorzuur. Vermoed wordt dat een gedeelte hiervan wordt afgegeven aan de smelt.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Alwin Mertens
Gietwerk Perspectief, jaargang 21 (2001), nummer 5

Wanneer men ijzer of staal wil toepassen in constructies is lassen een mogelijke verbindingstechniek. Ook bij revisie en onderhoud is lassen een belangrijke reparatiemethode. Veel constructeurs en onderhoudsdiensten vergalopperen zich niet zelden als het gaat om het lassen van gietwerk. De materiaalsamenstelling en productiewijze zijn niet altijd goed bekend wat voor de nodige problemen kan zorgen. Gieters zijn wel vertrouwd met de materie. Derhalve worden zij vaak door hun klanten gevraagd bij reparatielaswerkzaamheden de nodige ondersteuning te leveren om tot een bevredigend resultaat te
komen. Aan de hand van de in de loop der jaren bij IJzer- en Staalgieterij Newell Allard opgebouwde lasexpertise zal worden getracht een overzicht te geven van diverse richtlijnen die bij het lassen van de meest gangbare ferro-legeringen in veel situaties tot een goed eindresultaat leiden. Dit tweede en laatste deel van het artikel beschrijft het lassen van gietstaalsoorten. In Gietwerk Perspectief nr. 4 is gietijzer reeds belicht.

Dit artikel is eerder verschenen in Gietwerk Perspectief no. 5 / 2001 (september/oktober)

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Alwin Mertens
Gietwerk Perspectief, jaargang 21 (2001), nummer 4

Wanneer men ijzer of staal wil toepassen in constructies is lassen een mogelijke verbindingstechniek. Ook bij revisie en onderhoud is lassen een belangrijke reparatiemethode. Veel constructeurs en onderhoudsdiensten vergalopperen zich niet zelden als het gaat om het lassen van gietwerk. De materiaalsamenstelling en productiewijze zijn niet altijd goed bekend wat voor de nodige problemen kan zorgen. Gieters zijn wel vertrouwd met de materie. Derhalve worden zij vaak door hun klanten gevraagd bij reparatielaswerkzaamheden de nodige ondersteuning te leveren om tot een bevredigend resultaat te komen.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Gietwerk Perspectief no. 4 / 2001 (juli / augustus)

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
J. Campbell, IRC in Materials, the University of Birmingham (UK)
Gietwerk Perspectief, jaargang 20 (2000), nummer 6

Een “aan de maat” product is een product waarvan de geometrie geen verdere aanpassingen meer nodig heeft en derhalve gereed is voor gebruik of inbouw. In dit artikel wordt geprobeerd een kwantitatieve inschatting te maken van de factoren die invloed uitoefenen op de variatie in de afmetingen van serie-gietwerk. Deze variatie beperkt de mogelijkheid om in één handeling een kant en klare geometrie te verkrijgen. In deze studie worden de meest gebruikte gietprocessen bekeken.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
M. Janssen en C.J. Boone
Gietwerk Perspectief, jaargang 20 (2000), nummer 5

Grootte en onderlinge afstand van grafietnodulen in nodulair gietijzer worden onder andere bepaald door de wanddikte. Om te onderzoeken of deze noduulmorfologie de breuktaaiheid beïnvloedt, zijn de zogenaamde J-R krommen bepaald voor nodulair gietijzer met wanddikten van 7, 4 en 2 mm. Gezien de geringe dikte van het materiaal waren hierdoor deels experimenten vereist aan een afwijkende proefstukgeometrie. Uit de resultaten blijkt, dat bij nodulair gietijzer de breuktaaiheid afneemt met de wanddikte. Dit effect kan gerelateerd worden aan de grootte en de afstand tussen de nodulen.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
R. van Tol, L.Katgerman, H.J.J.Deen
Gietwerk Perspectief, jaargang 20 (2000), nummer 4

Het verloren-schuimmodel gietprocedé (Lost Foam) heeft een groeiende aandacht van de gieterij-industrie. Het dankt zijn populariteit aan een hoge ontwerpvrijheid gecombineerd met het gebruik van kernloze zandvormen zonder chemische bindmiddelen. De vervaardiging van Lost Foam gietwerk wijkt, voor wat de vormvullingsfenomenen betreft, af van conventioneel geproduceerd gietwerk. Begrip van de vormvulling en de stolling van Lost Foam gietwerk is evenzeer van essentieel belang als bij conventioneel geproduceerd gietwerk. Met behulp van zandvormen afgedekt met hittebestendig glas is de vormvulling experimenteel onderzocht van Lost Foam gietwerk. Hierbij is gebruik gemaakt van een plaatvormig gietstuk (100x200x10 mm) waarbij zowel met gietijzer als met aluminium is gegoten. Bovendien is het effect van verschillende aansnijsystemen en lijmnaden van de schuimdelen onderzocht. De vormvulling is ook gemodelleerd met behulp van het commerciële softwarepakket FLOW 3D.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
J. Kikkert
Gietwerk Perspectief, jaargang 20 (2000), nummer 4

Het normale ferritisch/perlitische nodulaire gietijzer van het type EN GJS-500-7 met een treksterkte R > 500 N/mm2 en rek > 7% wordt op grote schaal toegepast, o.a. voor onderdelen van vrachtwagens en graafmachines. Om de mechanische eigenschappen van dit materiaal op het gewenste niveau en binnen de vereiste grenzen te brengen is een nauwkeurige beheersing van het productieproces noodzakelijk. Dit artikel gaat in op een nieuwe ontwikkeling bij de soorten nodulair gietijzer met een minimale treksterkte van 500 N/mm2, waarbij het legeren met een extra hoeveelheid silicium moet zorgen voor het gewenste sterkteniveau.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
J. Zuidema, C. van Eldijk
Gietwerk Perspectief, jaargang 20 (2000), nummer 3

 

Onderzocht is de invloed van de grootte van grafietnodulen op de vermoeiingseigenschappen van nodulair gietijzer. Daarbij is gebruik gemaakt van in zand gegoten platen uit nodulair gietijzer met wanddikten van 2, 4 en 7 mm. De structuur is door warmtebehandeling volledig ferritisch; het aantal nodulen in de drie wanddikten ligt resp. in de grootte-orde 6000, 1500 en 500 nodulen per mm2. De vermoeiingsgrens, de scheurgroeisnelheid, alsmede de drempelwaarde voor vermoeiingscheurgroei ÀK.n zijn bepaald. Er is een duidelijke trend in de experimenteel gevonden vermoellngsgrenzen waarneembaar. Kleinere nodulen leiden tot hogere grenzen, maar niet zo hoog als de theoretische formules aangeven.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Ch.Defrancq
Gietwerk Perspectief, jaargang 20 (2000), nummer 2

Deel 1: Het vullen van een vormholte met metaal is een noodzakelijke operatie voor het verkrijgen van een gietstuk. Dit vullen wordt mogelijk gemaakt door het gietsysteem, dat gewoonlijk is samengesteld uit een giettrechter, een gietstam, één of meerdere gietkanalen en aansnijdingen. Tot op heden wordt de configuratie van het gietsysteem in zeer veel gevallen bepaald door gegevens, die voortkomen uit de dagelijkse ondervinding in de gieterij. Deze gegevens zijn echter zeer vaak met elkaar in tegenspraak. De problemen die men tegenkomt kan men in twee groepen onderverdelen: 1. problemen die zich voordoen in de vormholte zelf 2. problemen die zich voordoen in het gietsysteem

Deel 2: Dit deel gaat nader in op de stroming van het vloeibare metaal in het gietsysteem en op de werking van de aansnijdingen. De getoonde voorbeelden zijn doorgerekend met het simulatiepakket voor vormvulling en stolling, dat door het WTCM Gieterijcentrum zelf is ontwikkeld.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Luc Vereecken
Gietwerk Perspectief, jaargang 20 (2000), nummer 2

 

In het voorbije decennium heeft de behandeling van gietijzer met gevulde draad zijn intrede gedaan in de gieterijwereld. Nadat dit procedé zijn waarde had bewezen in de staalindustrie voor onder andere ontzwaveling, desoxidatie en toevoeging van legeringselementen, lijkt het nu ook helemaal zijn waarde te bewijzen in de gieterij-industrie. Draadbehandeling wordt hier vooral gebruikt voor de Mg-behandeling van gietijzer, maar wordt ook meer en meer aangewend voor andere toepassingen. Door het invoeren van deze productietechnieken kan een moderne draadleverancier een minimale spreiding op de nominale draadvulling garanderen. Bij iedere geproduceerde kooi draad krijgt men bovendien een certificaat met de precieze massa van het gevulde poeder per strekkende meter draad. Dit artikel geeft zowel een overzicht van de mogelijkheden van draadbehandeling in de ijzergieterijen, als een stand van zaken bij iedere toepassing.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Ch.Defrancq
Gietwerk Perspectief, jaargang 20 (2000), nummer 1

 

Het vullen van een vormholte met metaal is een noodzakelijke operatie voor het verkrijgen van een gietstuk. Dit vullen wordt mogelijk gemaakt door het gietsysteem, dat gewoonlijk is samengesteld uit een giettrechter, een gietstam, één of meerdere gietkanalen en aansnijdingen. Tot op heden wordt de configuratie van het gietsysteem in zeer veel gevallen bepaald door gegevens, die voortkomen uit de dagelijkse ondervinding in de gieterij. Deze gegevens zijn echter zeer vaak met elkaar in tegenspraak. De problemen die men tegenkomt kan men in twee groepen onderverdelen:

1. problemen die zich voordoen in de vormholte zelf
2. problemen die zich voordoen in het gietsysteem

Deel 2 gaat nader in op de stroming van het vloeibare metaal in het gietsysteem en op de werking van de aansnijdingen. De getoonde voorbeelden zijn doorgerekend met het simulatiepakket voor vormvulling en stolling, dat door het WTCM Gieterijcentrum zelf is ontwikkeld.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
A. Bordes
Gietwerk Perspectief, jaargang 20 (2000), nummer 1

In de zeventiger jaren is er onderzoek gedaan naar verdere verbeteringen aan de bestaande koepelovens. Daarbij werd niet alleen aandacht geschonken aan bedrijfstechnische factoren, maar ook aan de energievoorziening en de milieubelasting. Dit onderzoek heeft geleid tot een patent. Maar op aandringen van de overheid is het onderzoek daarna gestopt, omdat men toen vreesde dat de beschikbare hoeveelheden aardgas ontoereikend zouden zijn voor industrieel gebruik. Om te voorkomen dat de kennis geheel verloren zou gaan, terwijl ze een belangrijke bijdrage zou kunnen leveren aan de huidige energie- en milieuvraagstukken, heeft de schrijver gemeend de beschikbare gegevens te moeten publiceren.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
J. Campbell
Gietwerk Perspectief, jaargang 19 (1999), nummer 5

Deel 1: Regel 1 t/m 5
Deel 2: Regel 6 t/m 10 

De laatste jaren is het inzicht in het gietproces enorm gestegen. Het toegenomen begrip heeft de auteur ertoe bewogen de oorspronkelijke lijst van vier gietregels aan te vullen. Dit heeft geresulteerd in een nieuwe lijst van tien regels welke de laatste technologieën voor de vervaardiging van betrouwbare gietstukken omvatten. Dit is slechts een begin, omdat het bestaan van aanvullende regels reeds is onderkend. De tien regels moeten gezien worden als op zijn minst noodzakelijk. Er wordt geadviseerd de tien regels toe te passen in aanvulling op bestaande technische specificaties zoals legeringstype, sterkte, classificering volgens de norm ISO 9000 en overige binnen de gieterijwereld bekende conventionele procesparameters. Hoewel de regels niet voor alle gietmetalen zijn getest, zijn er gegronde redenen om aan te nemen dat zij algemeen geldig en dus algemeen toepasbaar zijn op allerlei legeringstypen waaronder aluminium, zink, magnesium, gietijzer, staal, nikkel, kobalt en titanium. Hoewel toepassing van de regels op mogelijk alle materialen een gunstige uitwerking zal hebben, zullen zich bij enkele materialen nauwelijks aantoonbare effecten openbaren.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
T. Skaland
Gietwerk Perspectief, jaargang 19 (1999), nummer 3

Nodulair gietijzer wordt al meer dan 5 jaar industrieel vervaardigd. De toevoeging van een nodularisatiemiddel aan vloeibaar ijzer ts waarschijnlijk de belangrijkste fase tijdens
de productie van nodulair gietijzer. Wereldwijd wordt magnesium als belangrijkste
noduulvormer toegepast en dan vaak toegevoegd in samenhang met cerium of met andere zeldzame aardmetalen. In de loop der tijd zijn er verschillende methoden ontwikkeld om het magnesium aan de smelt toe te voegen. Sommige ervan zijn verdwenen, andere zijn daarvoor in de plaats gekomen. Het doel van dit artikel is het geven van een overzicht over het maken van een vergelijking van verschillende commerciële behandelingsprocessen voor nodulair gietijzer. In het bijzonder worden de belangrijkste voor- en nadelen van de diverse methoden behandeld.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
H. Nieswaag
Gietwerk Perspectief, jaargang 19 (1999), nummer 2

Het Europese normblad voor bainitisch nodulair gietijzer onderscheidt vier soorten ADI (Austempered Ductile lron) naar oplopende sterkte. Daarbij valt op dat de sterkte van het materiaal een tamelijk groot gebied beslaat. De soorten met de laagste sterkte hebben daarbij een relatief hoge waarde voor de plastische rek. Dit hele gebied aan mechanische eigenschappen kan in principe via een warmtebehandeling uit één soort perlitisch nodulair gietijzer worden verkregen. Dit artikel gaat nader in op de warmtebehandeling en probeert ook een verband te leggen tussen de oorspronkelijke gietstructuur en de eigenschappen na de warmtebehandeling.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
L.J. Kikkert
Gietwerk Perspectief, jaargang 18 (1998), nummer 5

Deel 1: overzicht
Deel 2: Nieuwe Europese materiaalnormen voor gietijzersoorten 

Samenhangend met het streven naar Europese eenwording op monetair en politiek terrein wordt ook gewerkt aan een eenduidig stelsel van Europese normen, die in alle landen van de EU van kracht zijn. Ook de normen die voor de gieterij-industrie van belang zijn vallen hieronder. In de eerste helft van 1997 heeft de Europese commissie voor normalisatie (CEN) de eerste vier, door de technische commissie CEN/TC 19O " Foundry Technology" opgestelde normen voor grijs, smeedbaar, nodulair en bainitisch nodulair gietijzer gepubliceerd. Deze materiaalnormen zijn eind 1997 als Nederlandse NEN-EN norm verschenen, waardoor de vroegere NEN normen voor gietijzer zijn komen te vervallen.
De technische commissie CEN/TC 190 is thans nog bezig normen op te stellen voor austenitisch gietijzer (prEN 190/241) en slijtbestendig gietijzer (prEN 125131).

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
A. Bordes
Gietwerk Perspectief, jaargang 18 (1998), nummer 5

Deel 1: Opzet onderzoek; resultaten verkregen met grijs gietijzer
Deel 2: Resultaten verkregen met smeedbaar gietijzer
Deel 3: Resultaten verkregen met nodulair gietijzer; bespreking van het totaalresultaat

Bij de bereiding van gietijzer en bij de nabehandeling van gietwerk komt stof vrij. De hoeveelheid en de samenstelling ervan zijn sterk afhankelijk van de gebruikte grond- en hulpstoffen. Gedurende een aantal decennia is het hergebruik van oud materiaal, zowel in de vorm van oude gietstukken en als van afval van staal, steeds toegenomen. Was in de zestiger jaren een gebruik van 40 à 50% ruwijzer normaal, thans is dit gereduceerd tot ongeveer 10%. Er zijn ook bedrijven, die alleen maar afvalmateriaal als grondstof gebruiken, zelfs voor de vervaardiging van hoogwaardige producten. In zijn totaliteit is de gieterij-industrie dus in hoge mate een recyclingindustrie geworden.
In dat kader is het interessant om na te gaan of en in welke mate koe

pelovenstof en slijpstof tijdens het smeltproces in de koepeloven kunnen worden ingeblazen. Geïnitieerd door de stuurgroep "Gieterij-Reststoffen " is hiernaar in een aantal bedrijven onderzoek gedaan. In deel één van de serie artikelen is de opzet van het onderzoek behandeld en zijn de resultaten met grijs gietijzer beschreven. Bij het smelten van grijs gietijzer werd als stof uitsluitend koepelovenstof ingeblazen. Deel twee van de serie behandelt de resultaten, verkregen met smeedbaar gietijzer. Het derde en laatste deel in de serie artikelen behandelt de resultaten, verkregen met nodulair gietijzer, bovendien worden de bevindingen uit het gehele onderzoek besproken.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
W. van der Perre en H. Nieswaag
Gietwerk Perspectief, jaargang 18 (1998), nummer 5

Reeds meer dan 20 jaar is het meten van de zuurstofactiviteit of het gehalte aan vrije zuurstof in vloeibaar staal door middel van eenmalig te gebruiken dompelsondes, een gangbare en algemeen verspreide procescontrole methode bij de staalproductie. In dit artikel zal worden aangegeven dat ook bij de productie van vermiculair en nodulair gietijzer van deze meetmethode een nuttig gebruik kan worden gemaakt. 

De controle van vloeibaar gietijzer met behulp van een a[O]-meting of de daaruit afgeleide Desoxidatie Factor is een nieuwe, veelbelovende methode die toelaat op een snelle en nauwkeurige wijze de Mg-behandeling te controleren en te sturen voor het verkrijgen van een nodulaire of vermiculaire grafietstructuur. De meting is eenvoudig, duurt slechts 10 à 15 seconden en vereist geen bijzondere ervaring.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
C. Grefhorst
Gietwerk Perspectief, jaargang 18 (1998), nummer 4

De basis voor goede gietstukken is een constant vormzand met de beste eigenschappen. Het bereiden van een volledig constant zand is echter onmogelijk. Het is in dit artikel dan ook de bedoeling de middelen te bespreken, die de gieterijtechnicus ter beschikking staan om het vormzand binnen bepaalde grenzen constant te houden. Tevens wordt ingegaan op de eigenschappen van dat "constante" vormzand. Wat voor de ene gieterij optimaal is, hoeft voor de andere niet het geval te zijn. 

In dit artikel worden methoden aangegeven om een zo constant mogelijk vormzand te bereiden. Behandeld zijn enkele berekeningen om grondstoffen te doseren, de homogenisering en de koeling van vormzand. Tevens is ingegaan op de samenstelling van vormzand aan de hand van een analysevoorbeeld. Niet behandeld zijn de bereiding van vormzand in de menger, de optimale benutting van de grondstoffen en de verschillen in grondstoffen (bentoniet glanskoolvormer).

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
A. Bordes
Gietwerk Perspectief, jaargang 18 (1998), nummer 4

Deel 1: Opzet onderzoek; resultaten verkregen met grijs gietijzer
Deel 2: Resultaten verkregen met smeedbaar gietijzer
Deel 3: Resultaten verkregen met nodulair gietijzer; bespreking van het totaalresultaat

Bij de bereiding van gietijzer en bij de nabehandeling van gietwerk komt stof vrij. De hoeveelheid en de samenstelling ervan zijn sterk afhankelijk van de gebruikte grond- en hulpstoffen. Gedurende een aantal decennia is het hergebruik van oud materiaal, zowel in de vorm van oude gietstukken en als van afval van staal, steeds toegenomen. Was in de zestiger jaren een gebruik van 40 à 50% ruwijzer normaal, thans is dit gereduceerd tot ongeveer 10%. Er zijn ook bedrijven, die alleen maar afvalmateriaal als grondstof gebruiken, zelfs voor de vervaardiging van hoogwaardige producten. In zijn totaliteit is de gieterij-industrie dus in hoge mate een recyclingindustrie geworden. 

In dat kader is het interessant om na te gaan of en in welke mate koepelovenstof en slijpstof tijdens het smeltproces in de koepeloven kunnen worden ingeblazen. Geïnitieerd door de stuurgroep "Gieterij-Reststoffen " is hiernaar in een aantal bedrijven onderzoek gedaan. In deel één van de serie artikelen is de opzet van het onderzoek behandeld en zijn de resultaten met grijs gietijzer beschreven. Bij het smelten van grijs gietijzer werd als stof uitsluitend koepelovenstof ingeblazen. Deel twee van de serie behandelt de resultaten, verkregen met smeedbaar gietijzer. Het derde en laatste deel in de serie artikelen behandelt de resultaten, verkregen met nodulair gietijzer, bovendien worden de bevindingen uit het gehele onderzoek besproken. 

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
J. van Putten
Gietwerk Perspectief, jaargang 18 (1998), nummer 3

Indien gesproken wordt over gas in de aluminiumsmelt, wordt bedoeld de opname van waterstof. Waterstof is namelijk het enige gas, dat in noemenswaardige hoeveelheden atomair oplosbaar is in aluminium en aluminium legeringen. Tijdens het stollen zal de overmatige waterstof uit de oplossing komen en zal dus een verrijking van de restsmelt plaatsvinden, wat uiteindelijk leidt tot blaasvorming en porositeit. Hieruit blijkt ook, dat de afkoelsnelheid en het stolgedrag van de legering een belangrijke rol spelen. Bij langzame afkoeling (zandgietwerk) is de kans op waterstofporositeit groter dan bij snelle afkoeling zoals bij coquille- en spuitgietwerk. Het artikel gaat in op de achtergronden van de wisselwerking tussen waterstof en vloeibaar aluminium en behandelt de ontgassingstechniek.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
H. van Loon
Gietwerk Perspectief, jaargang 18 (1998), nummer 2

Een alternatief voor de koepeloven en de elektrische smeltoven is de draaitrommeloven. Dit soort ovens kunnen, afhankelijk van hun grootte, per dag een grotere of kleinere hoeveelheid vloeibaar ijzer op de gewenste tijd leveren. Draaitrommelovens zijn op zich reeds lange tijd bekend, doch pas sinds de laatste jaren wordt deze manier van smelten meer toegepast. Dit artikel beschrijft de ervaringen met een dergelijk draaitrommelsmeltbedrijf en geeft de nieuwe ontwikkelingen op dit gebied weer. Nieuwe vuurvaste materialen zorgen voor een duidelijke standtijdverbetering. Verbeteringen aan de brandertechniek en aan de rotatiecyclus van de oven zorgen voor kortere smelttijd zonder extra oxidatieverliezen.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
A.W.J. Hollink
Gietwerk Perspectief, jaargang 18 (1998), nummer 1

Perslucht is een energiedrager. En waar de term energie wordt gebruikt, kan bijna automatisch het begrip besparingen hieraan worden gekoppeld. Er zijn de laatste jaren ook zeker mogelijkheden ontwikkeld om rond het persluchtverbruik in de gieterij besparingen te verwezenlijken. Daar waar nieuwe persluchtstations worden geïnstalleerd, zijn die nieuwe technieken uiteraard vanzelfsprekend, maar ook op bestaande stations kunnen redelijk eenvoudig diverse nieuwe ontwikkelingen worden toegepast, die de energierekening danig doen slinken. Voor een besparing in het verbruik aan energie zijn vier aspecten het meest belangrijk: de juiste dimensionering van compressoren, de optimalisering van besturingen, de warmteterugwinning en het leidingnet. Deze vier aspecten zullen achtereenvolgens meer in detail worden behandeld.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
H. Nieswaag
Gietwerk Perspectief, jaargang 18 (1998), nummer 1

Het verloren-was proces of het precisie-gieten heeft zich in de loop van de tijd ontwikkeld tot een volwaardige methode van gieten, waarmee ingewikkelde en hoogwaardige constructiedelen kunnen worden vervaardigd. De techniek op zich stamt reeds uit de oudheid. Het model van was werd toen omhuld met een leemachtige substantie, na het drogen van de gietvorm werd de was uitgesmolten en kon vloeibaar metaal de plaats van de was innemen. Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog volgde de eigenlijke industriële doorbraak van het proces, aanvankelijk in gebruik voor bijzondere hittevaste legeringen op ijzerbasis en nikkelbasis. Tegenwoordig worden ook de normale legeringen verwerkt. Dit artikel beschrijft enkele nieuwe ontwikkelingen.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
A. Bordes
Gietwerk Perspectief, jaargang 17 (1997), nummer 6

Het begrip spiegelgetal werd circa 30 jaar geleden in Nederland geïntroduceerd door de heer R. Kruithof, metaIIurg bij Werkspoor. Hoewel de meetmethode als zodanig is verouderd, is de betekenis van het spiegelgetal nog steeds van belang. Het spiegelgetal is het verschil tussen de ware temperatuur van het gesmolten ijzer, zoals die met een dompelmeting wordt bepaald en de schijnbare temperatuur zoals die optisch wordt gemeten. Dit verschil is niet constant en wordt veroorzaakt door de aard van het oppervlak van het vloeibare ijzer. Bij een volledig blanke badspiegel wordt een relatief groot deel van de straling teruggekaatst in het bad, zodat de schijnbare temperatuur in dat geval lager is en het verschil met de ware temperatuur dus groter dan bij een doffe badspiegel. Op deze wijze kan de mate van verontreiniging in de smelt worden bepaald.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
ir. F. Defoirdt, Ferromatrix
Gietwerk Perspectief, jaargang 17 (1997), nummer 5

Bainitisch nodulair gietijzer of ADI: austempered ductile iron is een betrekkelijk nieuwe ontwikkeling op het gebied van nodulair gietijzer. Het materiaal heeft een aantrekkelijke combinatie van sterkte en taaiheid. Het heeft inmiddels zijn weg gevonden naar verschillende takken van de machinebouw en naar de transportsector. Het artikel geeft een overzicht van de kenmerken van dit materiaal en van het toepassingsgebied. Alhoewel dit artikel bijna 15 jaar oud is en deels achterhaald, geeft het toch een goed beeld van het ADI proces en de te behalen mechanische eigenschappen van het materiaal.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
R. van Tol, L. Katgerman, H. van den Akker
Gietwerk Perspectief, jaargang 17 (1997), nummer 5

Computersimulaties van gietprocessen zijn bijna onontbeerlijke hulpmiddelen geworden om de eigenschappen van gietstukken te optimaliseren. In het bijzonder dragen vormvullingsmodellen bij aan het optimale ontwerp van het gietstuk ter voorkoming van gietfouten. De betrouwbaarheid van computermodellen, met name vormvullingsmodellen, wordt in het algemeen getest aan eenvoudige gietvormen. Het meeste onderzoek tot nu toe is gedaan aan verticale platen, terwijl in dit artikel de nadruk wordt gelegd op een dunwandig horizontaal gietstuk. Bij een dergelijk gietstuk bestaat een sterke interactie tussen warmtetransport, oppervlakte-energie en zwaartekracht. Het artikel is in twee afleveringen verschenen, die beiden in één PDF bestand zijn samengebracht.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
C.J. van Ettinger, G.W.J.Jurriens
Gietwerk Perspectief, jaargang 17 (1997), nummer 4

De productie van nodulair gietijzer in Nederland is veelzijdig, efficiënt en tegelijkertijd zo wervelend als de magnesiumbehandeling op zích is. Door een optimale afstemming van het behandelingsproces op de productiemiddelen in de gieterij wordt een hoge, constante kwaliteit gerealiseerd. De kwaliteitscontrole is hoog en de ontwikkeling van het productieproces staat bij veel gieterijen in de belangstelling, om nog efficiënter met een hogere kwaliteit te kunnen produceren.

De afgelopen 25 jaar (1970-7995) is een nieuwe gietijzersoort door de Nederlandse gieterij-industrie gekoesterd, en met succes. De volgende 25 jaar zullen zeker zo belovend zijn en daarin zal Nederland een toonaangevende rol moeten blijven spelen. Vroeger kende men concurrentie slechts vanuit de omringende landen, nu is het de gehele wereld. Daarnaast is er de toenemende concurrentie van nieuwe materialen en productietechnieken, zoals composieten, kunststof, keramiek en nieuwe aluminiumlegeringen en bijv. het sinteren. Het is echter een voordeel dat voor de Nederlandse gieterijexport ook de gehele wereldmarkt geldt. Deze markt is ruim 15 miljoen ton groot en is nog steeds groeiende.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
A. Bongers
Gietwerk Perspectief, jaargang 17 (1997), nummer 4

Bij de keuze van vuurvaste materialen zijn er verschillende procesfactoren die de kwaliteit van het te gebruiken vuurvaste materiaal bepalen. Ingegaan wordt op de effecten van temperatuur, atmosfeer, temperatuurvariaties en samenstelling van de aanwezige slak op de keuze van de vuurvaste materialen. Tevens worden in de beschouwing betrokken de specifieke materiaalaspecten bij de toepassing van stenen of ongevormde monolitische materialen. Uitgangspunt in dit artikel is het gebruik van materialen op basis van alumino-silicaten; er worden geen basische materialen in de beschouwing betrokken. Het doel van dit artikel is om meer duidelijkheid te geven waarom en hoe men bepaalde vuurvaste materialen kiest.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
A. Bordes
Gietwerk Perspectief, jaargang 17 (1997), nummer 3

De "uitvinding" van nodulair gietijzer is - zoals zoveel uitvindingen - een zaak van het samengaan van min of meer toevallige omstandigheden geweest. Toen de Verenigde Staten betrokken raakten bij de tweede wereldoorlog werd de toepassing van chroom voor niet-militaire doeleinden beperkt. Er werd derhalve een onderzoek ingesteld naar legeringselementen die chroom geheel of gedeeltelijk zouden kunnen vervangen. Met één van deze voorlegeringen (80% Ni,20% Mg) werden proeven genomen op gietijzer. Het beoogde effect van een voldoende witte instraling werd bereikt, maar tevens kwam men tot de ontdekking dat het materiaal ongewoon schokbestendig was in vergelijking met het normale materiaal. Dit artikel geeft een overzicht van de verdere ontwikkeling van nodulair gietijzer.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Prem Mohla, Cor van Ettinger
Gietwerk Perspectief, jaargang 17 (1997), nummer 3

Om de vijftigste verjaardag te vieren van de ontdekking van nodulair gietijzer, heeft Gietwerk Perspectief in 1997 een blad volledig gevuld met artikelen over nodulair gietijzer. Dit artikel geeft een uitvoerig overzicht over de noduliseringsmethoden die destijds gangbaar waren en waarvan werd verwacht dat zij ook na het jaar 2000 nog actueel zouden zijn. In 1997 werd 25 % en 20 % van de productie van nodulair gietijzer respectivelijk verkregen met het Tundish-proces en met het Inmold-proces. De auteurs geven de kenmerken van elk van de gangbare processen weer. Het Flexiporprocedé is een nieuwe ontwikkeling, vooral goed geschikt bij een verticale vormdeling.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Bryan Race, Reg Forrest
Gietwerk Perspectief, jaargang 17 (1997), nummer 3

In dit korte overzicht over de historie en de ontwikkeling in de productie van nodulair gietijzer gaan de auteurs uit van de gedenkwaardige 7 mei7948 toen te Philadelphia (USA) de geboorte van nodulair gietijzer werd medegedeeld. Dit werd gedaan door twee verschillende onderzoekgroepen, die onafhankelijk van elkaar en ieder langs een andere weg tot hetzelfde resultaat waren gekomen: Morrogh c. s. van de BCIRA (UK) met de toevoeging van cerium en Millis c.s. van Int. Nickel Comp. (USA) met de toevoeging van NiMg-legeringen. Het magnesium-proces bleek later het meest succésvólle te zijn á dank zij de licenties van Mond Nickel kon vrij snel na 1 948 door een aantal gieterijen in de geïndustrialiseerde wereld nodulair gietijzer worden geproduceerd.

De pionierende gieterijen hadden het niet gemakkelijk bij de productie van nodulair gietijzer. In de 50-iger jaren werd nog overwegend in koepelovens met een zure bekleding gesmolten met als resultaat een basisijzer met een relatief hoog 2wavelgehalte van ca. 0,7"/". Men liep aan tegen droesvorming en slakinsluitsels, pinholes, oppervlaktefouten en een ernstige mate van slinkneiging in vergelijking met gewoon grijs gietijzer. Gaandeweg kreeg men door een verbeterde kwaliteitscontrole meer greep op de problemen. Inmiddels was men van NiMg-toevoegingen overgegaan naar het gebruik van de goedkopere FeSiMg-legeringen.

Door Int. Meehanite werd het Osmose-proces ingevoerd waardoor een betere ontzwaveling van het koepelovenijzer werd bereikt voorafgaande aan de magnesiumbehandeling. Het Osmose-proces wordt ook nu nog gebruikt bij gieterijen die met een koepel oven smelten.

O.a. door de milieumaatregelen van de verschillende overheden zielen gieterijen meer en meer overgestapt op het elektrisch smelten van het basisijzer voor nodulair gietijzer. Er zijn magnesium-behandelingsprocessen ontwikkeld die milieuvriendelijker zijn. De auteurs noemen in dit verband het Inmold-proces. Wereldwijd wordt deze methode gebruikt waarbij miljoenen gietstukken van hoge kwaliteit worden gefabriceerd. Verder worden in het artikel genoemd: het Sigmat-proces, het Tundish-cover proces, het Sandwich- proces. Nieuwe processen zullen in de toekomst zeker ontstaan, omdat er een voortdurend streven is naar een efficiënter en daarmee kostenverlagend behandelingsproces.

Ondanks de teruggang in het aantal gieterijen is er zeker een toekomst voor nodulair gíetíjzer. Het aantal toepassingen neemt gestaag toe. De gieterijen bevinden zich wel in een spanningsveld. Voor de gieterij is er een minimum kostprijs waar beneden nodulair gietijzer niet rendabel is te vervaardigen. De koper evenwel dwingt de gieterij tot een steeds lagere prijs. Nodulair gietijzer vereist echter een nauwgezette kwaliteitszorg in de gieterij, zodat het niet meer dan" faír" is dat daarvoor ook wordt betaald.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Cees van Eldijk
Gietwerk Perspectief, jaargang 17 (1997), nummer 3

De vraag naar steeds lichtere, sterkere en complexer gevormde producten zal blijven groeien. Hierbij zal het aandeel van dun nodulair gietijzer naar verwachting op verschillende toepassingsgebieden meer dan evenredig toenemen. Dit is vooral te danken aan een verbeterde kwaliteitsbeheersing en aan het toepassen van een aantal technologische ontwikkelingen in het ontwerp- en productieproces. Hierdoor werd het mogelijk de eigenschappen van nodulair gietijzer volledig uit te buiten, zoals bij mechanische eigenschappen, vermoeiingseigenschappen, trillingsdempende eigenschappen, gieteigenschappen en prijs. Toepassing van computersimulatietechnieken en de resultaten van metallurgisch en metaalkundig onderzoek zullen in de komende jaren een verdere groei stimuleren.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Gees van Eldijk
Gietwerk Perspectief, jaargang 17 (1997), nummer 3

Dit artikel beschrijft in grote lijnen wat het ijzersterke potentieel van dun nodulaír gietíjzer is en waarom dit nu pas volledig uitgebuit kan worden. Hoewel de bespreking zich beperkt tot het dunwandige nodulaire gietijzer, geldt echter veel ook voor vermiculair gietijzer. Commercieel gezien spelen vermiculair gietijzer en dun nodulair gietijzer op dit moment nauwelijks enige rol van betekenis. De beperkte toepassing van vermiculaír gietijzer wordt veroorzaakt door onvoldoende metallurgische kennis over het ontstaan van vermiculaire grafiet. Voor dun nodulair gietijzer is de metallurgische kennis voor smelten en gieten wel voldoende. Hier zijn het de metaalkundige kennis en de verspreiding van déze kennis, die te kort schieten, vooral van de vermoeiingseigenschappen.

Om het belang in te zien van het potentiële productievolume van dun nodulair gietíjzer is een vergelijking gemaakt tussen de wereldproductie van gietmetalen en de bulkproductie van staal en aluminium. Staal is in de wereld het meest geproduceerde metaal, waarvan de productie over de afgelopen 10 jaar - afgezien van economische fluctuaties - op een vrijwel constant niveau ligt van 700 miljoen ton per jaar (tabel 1). In vergelijking hiermee bedraagt het totale productievolume van alle gietstukken in staal, aluminium, gietijzer en overige gietmetalen tezamen, ongeveer 10% van de totale staalproductie. Hierbij is familiair gietijzer met een productievolume van ruim 42 miljoen ton per jaar nog steeds het meest toegepaste gietmetaal. Een productievolume, dat echter jaarlijks gestaag afneemt. Daarentegen is er een constante toename in de productie van nodulair gietijzer en van de aluminium-gietlegeringen. De verwachte grote groei van dun nodulair gietijzer zal voor een belangrijk deel ten koste gaan van " dík" nodulair gieti1zer, van lamellair gietijzer, van aluminium- gietstukken en van plaatstaal. Hierbij zullen de drijvende krachten bij nieuwe ontwerpen de massa- en kostenbesparing zijn.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Cor van Ettinger, G.W-J. Jurriens
Gietwerk Perspectief, jaargang 17 (1997), nummer 3

In Nederland is de productie van nodulair gietijzer de gewoonste zaak van de wereld geworden. Dagelijks worden vele honderden tonnen vloeibaar nodulair geproduceerd via verschillende processen. Bij de voorbereiding van het themanummer van Gietwerk Perspectief over het 50-jarig bestaan van nodulair gietijzer is binnen de redactie het idee ontstaan om onder de Nederlandse ijzergieterijen een enquête te houden over de productie van nodulair gietijzer. Van de 20 aangeschreven gieterijen hebben er 15 geantwoord. Uit de enquête komt als typerend voor de Nederlandse gieterijindustrie de grote variatie in behandelingsprocessen naar voren. Men is in staat gietstukken van 0,1 kg tot 18.000 kg in elke gewenste kwaliteit nodulair gietijzer te leveren. De totale productie van nodulair gietijzer zal in 1997 in Nederland naar verwachting ongeveer 73.000 ton goed gietwerk bedragen.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Cees Langeberg
Gietwerk Perspectief, jaargang 17 (1997), nummer 2

Hoewel de meeste gieterijen van huis uit rasechte hergebruikers zijn - de meeste metallische grondstoffen bestaan uit intern en extern afvalmateriaal en ook het vormmateriaal wordt bij kleigebonden vormzand steeds opnieuw gebruikt - zijn ze helaas ook rasechte afvalproducenten. De oorzaak hiervan is dat de omloopmassa van het vormmateriaal enorm groot is, waardoor zelfs een klein percentage verlies al een grote hoeveelheid afval betekent. Decennia lang werd dit afval van vormmaterialen niet als milieubelastend beschouwd, maar als nuttig bruikbaar materiaal voor ophoogdoeleinden, bijvoorbeeld in de wegenbouw. Door de steeds strenger wordende milieueisen mag vormzandafval tegenwoordig niet meer voor civiele toepassingen worden gebruikt, maar moet het - al dan niet nuttig gebruikt - naar stortplaatsen worden afgevoerd. Om stortkosten te vermijden moet de gieterij dus passende maatregelen nemen. Het artikel illustreert de oplossing die men gekozen heeft bij De Globe te Weert.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
C.A. van de Velde
Gietwerk Perspectief, jaargang 17 (1997), nummer 1

Een gedetailleerde beschrijving over het stollingsmechanisme van grijs gietijzer is in de literatuur nauwelijks te vinden. Het blijft meestal beperkt tot de uitleg aan de hand van de afkoelkromme ter verklaring van de vorming van de verschillende grafiettypen. De grafiet in de structuur van grijs gietijzer wordt vaak als belangrijkste factor gezien en daarom ligt bij de stolling van grijs gietijzer de nadruk op de vorming van grafiet tijdens de eutectische stolling. Deze stolling wordt echter meestal vooraf gegaan door de stolling van primair austeniet; een vaak onderbelicht onderdeel van de structuurvorming. In dit artikel wordt nagegaan wat er in de loop van de jaren aan kennis op dit gebied is verzameld, maar zoals zal blijken, ten onrechte benut is gebleven.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
R. van Keeken
Gietwerk Perspectief, jaargang 16 (1996), nummer 6

Dit onderzoek gaat in op de vraag welke procestechnische en/of metallurgische factoren van invloed zijn op het slinkgedrag van nodulair gietijzer. In de praktijk komt het nogal eens voor dat onder schijnbaar gelijke omstandigheden het ene gietstuk vrij van porositeit is en het andere niet. Soms wordt "onverklaarbare" porositeit gevonden. Door de variatie in de procesvoering is het vaak moeilijk om onder exact gelijke omstandigheden te werken. Hierdoor wordt de vraag naar goede voorschriften en toelaatbare toleranties alleen maar groter. Vandaar dat dit onderzoek is gericht op de productie van ferritisch/perlitisch nodulair gietijzer. Het onderzoek is bedrijfsgericht, waarmee wordt bedoeld dat alle factoren zijn onderzocht zijn op niveaus, die bij De Globe gebruikelijk zijn.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Albert Koperek
Gietwerk Perspectief, jaargang 16 (1996), nummer 6

De koepeloven is het meest gebruikte smeltaggregaat voor gietijzer. De technologie van de koepeloven is de afgelopen tien jaar ingrijpend veranderd. De aanleiding hiervoor was de achterstallige aanpassing aan de moderne milieutechniek, het duurder worden van de inzetmaterialen, de hoge energiekosten en de druk van concurrentie van de verbeterde elektrische smeltinstallaties.

Zuurstof is geen energie en kan niet als vervanging van de cokesinzet dienen. Het gebruik van zuurstof in de koepeloven wordt gericht gedaan om het rendement van de oven te verbeteren. Het thermisch rendement van het smeltaggregaat wordt hier gedefinieerd als de verhouding van de warmte-inhoud van het afgetapte ijzer tot de ingebrachte hoeveelheid warmte, die wezenlijk uit de verbrandingsenergie van de ingezette cokes bestaat. Dit thermisch rendement ligt tussen circa 30% voor koudewind koepelovens en ongeveer 55-60% voor hetewind koepelovens met recuperatoren.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
G.B. van der Graaf
Gietwerk Perspectief, jaargang 16 (1996), nummer 6

Vormvulling bij dunwandig metaal gietwerk
Deel 1: Computersimulaties
Deel 2 : PIV-metingen, Lage-Druk gietmachine

Bij het ontwerpen van bewegende onderdelen voor machines en transportmiddelen wordt de massa van het product steeds belangrijker. Hoe kleiner de massa van een constructie is, des te gemakkelijker hanteerbaar is deze en des te lager is de energieconsumptie gedurende het gebruik. Een manier om een constructie zo licht mogelijk te maken is het minimaliseren van de wanddikte van de constructie. Bij de productie van dunwandige gietstukken met een wanddikte van circa 3 mm worden hoge eisen gesteld aan de giettechniek. Vooral de vulling van de gietvorm is een belangrijke stap in het proces, omdat door de hoge afkoelsnelheden gemakkelijk koudloop kan optreden, indien het vloeibare metaal een te lange weg moet afleggen. Dit artikel geeft een samenvatting van een uitgebreide studie over de vormvulling van verticaal geplaatste platen met een afmeting van (lxbxd) 220 x 150 x 3 mm. Naast computersimulaties voor het berekenen van de stroming van het vloeibare metaal, zijn ook reële gietingen uitgevoerd. Deel 2 gaat in op de PIV-metingen en op enkele gietingen met vloeibaar gietijzer waarbij gebruik is gemaakt van een zelf ontworpen Lage-Druk Gietmachine.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Giel van Hooff
Gietwerk Perspectief, jaargang 16 (1996), nummer 5

Nederland, anderhalve eeuw geleden: een land met een nog beperkte fabrieksnijverheid, waar handel en landbouw de boventoon voeren. De nijverheid is nog grotendeels traditioneel ambachtelijk. Omstreeks 1850 treft men slechts 300 stoommachines in de industrie aan. Maar de geest van de nieuwe tijd dringt ook in de lage landen door. Niet alleen stoomkracht
maar bijvoorbeeld ook nieuwe technieken, constructiemethoden en nieuwe materialen doen hun intrede. Eén van de belangrijkste 'nieuwe' materialen, hoewel dit een oude oorsprong heeft, is het gietijzer. Een oud materiaal dat een nieuw leven krijgt. Sterker nog, het lijkt wel of Nederland - in navolging van andere industrialiserende gemeenschappen - in de ban is
van een zekere gietijzerkoorts. Het materiaal vindt niet alleen toepassing in de opkomende industrie, zoals de retorten en pijpen voor de gasfabricage of als de cilinders van stoommachines. Ook voorwerpen die traditioneel uit een ander materiaal, met name hout, werden vervaardigd komen nu in een gietijzeren uitvoering beschikbaar: van veedrinkbakken tot klerenstandaards en preekstoelen toe.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
G.B. van der Graaf
Gietwerk Perspectief, jaargang 16 (1996), nummer 5

Deel 1: Computersimulaties
Deel 2 : PIV-metingen, Lage-Druk gietmachine

Bij het ontwerpen van bewegende onderdelen voor machines en transportmiddelen wordt de massa van het product steeds belangrijker. Hoe kleiner de massa van een constructie is, des te gemakkelijker hanteerbaar is deze en des te lager is de energieconsumptie gedurende het gebruik. Een manier om een constructie zo licht mogelijk te maken is het minimaliseren van de wanddikte van de constructie. Bij de productie van dunwandige gietstukken met een wanddikte van circa 3 mm worden hoge eisen gesteld aan de giettechniek. Vooral de vulling van de gietvorm is een belangrijke stap in het proces, omdat door de hoge afkoelsnelheden gemakkelijk koudloop kan optreden, indien het vloeibare metaal een te lange weg moet afleggen. Dit artikel geeft een samenvatting van een uitgebreide studie over de vormvulling van verticaal geplaatste platen met een afmeting van (lxbxd) 220 x 150 x 3 mm. Naast computersimulaties voor het berekenen van de stroming van het vloeibare metaal, zijn ook reële gietingen uitgevoerd. Deel 2 gaat in op de PIV-metingen en op enkele gietingen met vloeibaar gietijzer waarbij gebruik is gemaakt van een zelf ontworpen Lage-Druk Gietmachine.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Giel van Hooff
Gietwerk Perspectief, jaargang 16 (1996), nummer 4

Nederland, anderhalve eeuw geleden: een land met een nog beperkte fabrieksnijverheid, waar handel en landbouw de boventoon voeren. De nijverheid is nog grotendeels traditioneel ambachtelijk. Omstreeks 1850 treft men slechts 300 stoommachines in de industrie aan. Maar de geest van de nieuwe tijd dringt ook in de lage landen door. Niet alleen stoomkracht
maar bijvoorbeeld ook nieuwe technieken, constructiemethoden en nieuwe materialen doen hun intrede. Eén van de belangrijkste 'nieuwe' materialen, hoewel dit een oude oorsprong heeft, is het gietijzer. Een oud materiaal dat een nieuw leven krijgt. Sterker nog, het lijkt wel of Nederland - in navolging van andere industrialiserende gemeenschappen - in de ban is
van een zekere gietijzerkoorts. Het materiaal vindt niet alleen toepassing in de opkomende industrie, zoals de retorten en pijpen voor de gasfabricage of als de cilinders van stoommachines. Ook voorwerpen die traditioneel uit een ander materiaal, met name hout, werden vervaardigd komen nu in een gietijzeren uitvoering beschikbaar: van veedrinkbakken tot klerenstandaards en preekstoelen toe.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
D. Dünkelmann
Gietwerk Perspectief, jaargang 16 (1996), nummer 4

Door de steeds toenemende vraag naar kwaliteitsverbetering van gietwerk, door de op de bedrijven afkomende productaansprakelijkheid, alsmede door de toenemende druk van de concurrentie worden de gieterijen gedwongen om hun productieapparaat te voorzien van een betrouwbaar en praktisch kwaIiteitsbewakings- en registratiesysteem. Voor het verkrijgen van goede gietstukken is het natuurlijk van belang dat het te vergieten vloeibare aluminium de vereiste conditie heeft: een voldoende laag waterstofgehalte, de juiste graad van veredeling indien noodzakelijk, en de vereiste samenstelling. De thermische analyse en het stollen van een kleine hoeveelheid vloeibaar metaal onder verlaagde druk zijn goede hulpmiddelen om de kwaliteit van de smelt snel te kunnen vaststellen. Het artikel gaat in op de achtergronden en op de beschikbare apparatuur.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
H. Nieswaag
Gietwerk Perspectief, jaargang 16 (1996), nummer 2

In de transportsector bestaat een continu streven naar het lichter maken van de constructie zonder de strenge kwaliteitseisen geweld aan te doen. Ook in de industrie van alle mogelijke "portable" apparatuur heerst hetzelfde uitgangspunt. Samengestelde componenten of gelaste constructies worden daartoe omgezet in integrale gietstukken. De gieterijtechniek heeft zich de laatste jaren door toepassing van verbeterde giettechnieken en door verdere aanpassing van de legeringen zodanig ontwikkeld, dat het realiseren van dunne wanddikten mogelijk is. Het gebruik van simulatie- en CAD/CAM-technieken biedt bovendien de mogelijkheid tot het optimaliseren van de gestalte van het product met betrekking tot zijn gietbaarheid en zijn functionaliteit. Welke materialen staan de constructeur ter beschikking voor het realiseren van deze dunwandige integrale gietstukken. In dit artikel worden enkele mogelijkheden besproken .

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
H. Nieswaag
Gietwerk Perspectief, jaargang 16 (1996), nummer 2

In de transportsector bestaat een continu streven naar het lichter maken van de constructie zonder de strenge kwaliteitseisen geweld aan te doen. Ook in de industrie van alle mogelijke "portable" apparatuur heerst hetzelfde uitgangspunt. Samengestelde componenten of gelaste constructies worden daartoe omgezet in integrale gietstukken. De gieterijtechniek heeft zich de laatste jaren door toepassing van verbeterde giettechnieken en door verdere aanpassing van de legeringen zodanig ontwikkeld, dat het realiseren van dunne wanddikten mogelijk is. Het gebruik van simulatie- en CAD/CAM-technieken biedt bovendien de mogelijkheid tot het optimaliseren van de gestalte van het product met betrekking tot zijn gietbaarheid en zijn functionaliteit. Welke materialen staan de constructeur ter beschikking voor het realiseren van deze dunwandige integrale gietstukken. In dit artikel worden enkele mogelijkheden besproken .

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
H.G.Levelink
Gietwerk Perspectief, jaargang 16 (1996), nummer 2

 

Met het oog op maatregelen die nodig zijn om de stijgende afzetkosten van vormzandreststoffen van ijzergieterijen het hoofd te bieden, is op initiatief van de stuurgroep "Gieterij reststoffen" een tweeledig onderzoek ingesteld. Enerzijds is gekeken naar de invloed van de bedrijfsomstandigheden op de omvang van de reststromen en anderzijds is nagegaan op welke wijze de bedrijfsomstandigheden de zandkwaliteit beïnvloeden. Het doel van beide delen van het onderzoek was om met behoud van de vormzandkwaliteit, zowel via grondstofbesparingen de reststroom in te perken als de kwaliteit van de reststroom te optimaliseren, zodat deze eventueel voor een hoogwaardige toepassing buiten de gieterij kan worden ingezet. Over de grootte van de reststromen is al eerder bericht. In deel 1 worden kwaliteitscriteria en het kwaliteitsniveau behandeld en is uitvoerig stil gestaan bij de invloed van het mengproces op de kwaliteit van het vormzand. Deel 2 gaat over de processturing en de procesbeheersing. In een bijlage worden de gebruikte beproevingsmethodieken samengevat: de methyleenblauwbepaling, de sterktemeting en de bepaling van de mengkarakteristiek.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
C.A. van de Velde
Gietwerk Perspectief, jaargang 16 (1996), nummer 1

Nodulair gietijzer heeft zijn populariteit vooral te danken aan zijn gunstige gieteigenschappen, gepaard aan hoge mechanische eigenschappen. Al snel bleek dat de mechanische eigenschappen sterk worden beïnvloed door de vorm en de grootte van de grafietnodulen, de verdeling van de grafiet uitscheidingen in de grondmassa en door de verhouding perliet/ferriet. Het is dan ook niet verwonderlijk dat bij de beoordeling van de structuur van nodulair gietijzer deze facetten worden benadrukt en in verschillende normen en richtlijnen nog worden voorgeschreven. In veel gevallen wordt hierbij voorbij gegaan aan de primaire structuur van de oorspronkelijke austenietdendrieten. Dit artikel geeft enkele technieken om die primaire structuur zichtbaar te maken in een normaal afgekoelde gietstructuur.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
H.G.Levelink
Gietwerk Perspectief, jaargang 16 (1996), nummer 1

Met het oog op maatregelen die nodig zijn om de stijgende afzetkosten van vormzandreststoffen van ijzergieterijen het hoofd te bieden, is op initiatief van de stuurgroep "Gieterij reststoffen" een tweeledig onderzoek ingesteld. Enerzijds is gekeken naar de invloed van de bedrijfsomstandigheden op de omvang van de reststromen en anderzijds is nagegaan op welke wijze de bedrijfsomstandigheden de zandkwaliteit beïnvloeden. Het doel van beide delen van het onderzoek was om met behoud van de vormzandkwaliteit, zowel via grondstofbesparingen de reststroom in te perken als de kwaliteit van de reststroom te optimaliseren, zodat deze eventueel voor een hoogwaardige toepassing buiten de gieterij kan worden ingezet. Over de grootte van de reststromen is al eerder bericht. In deel 1 worden kwaliteitscriteria en het kwaliteitsniveau behandeld en is uitvoerig stil gestaan bij de invloed van het mengproces op de kwaliteit van het vormzand. Deel 2 gaat over de processturing en de procesbeheersing. In een bijlage worden de gebruikte beproevingsmethodieken samengevat: de methyleenblauwbepaling, de sterktemeting en de bepaling van de mengkarakteristiek.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Dr. F. Mampaey
Gietwerk Perspectief, jaargang 15 (1995), nummer 6

Deel 1: Stolling en slink
Deel 2: Stroming
Deel 3A: Praktische aspecten
Deel 3B: Praktische aspecten (vervolg) 

In een reeks van drie artikelen is getracht om op een overzichtelijke wijze de belangrijkste aspecten van het onderzoek over de simulatie van het gietproces samen te vatten. In een eerste bijdrage worden de algemene principes geschetst waarop de simulatie steunt. Bovendien
wordt ingegaan op de vraag waarom simulatie in feite interessant is ter vervanging van de berekeningen, die zijn gebaseerd op de modulusmethode. Tenslotte worden specifieke fenomenen, die optreden tijdens de stolling en de navoeding nader ontleed.
In een tweede bijdrage over de simulatie van het gietproces wordt nader ingegaan op de stroming. Stroming treedt bij het maken van een gietstuk in drie gevallen op: tijdens de vormvulling, als gevolg van de natuurlijke convectie en gedurende de navoeding. De experimentele validatie van de stroming van vloeibare metalen is moeilijk, wat de schaarste aan publicaties over dit onderwerp verklaart. Op het gebied van de simulatie van de vormvulling neemt het aantal artikelen echter spectaculair toe, mede door de beschikbaarheid van voldoend snelle werkstations.
In de laatste twee bijdragen over de simulatie van het gieten wordt een aantal praktische aspecten belicht. Zo wordt onderzocht hoever het staat met het automatisch ontwerpen van het gietsysteem en welke problemen zich voordoen bij het inbrengen en het uitwisselen van geometrische informatie. De invloed van de materiaalwaarden en de vorming van een luchtspleet worden toegelicht. Er wordt uiteengezet hoe de stollingswarmte kan worden benaderd en wat uiteindelijk de mogelijkheid schept om mechanische eigenschappen in het gietstuk te voorspellen. Tenslotte worden de principes besproken, die aan de basis liggen van de "cellulaire automata".

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Dr. F. Mampaey
Gietwerk Perspectief, jaargang 15 (1995), nummer 5

Deel 1: Stolling en slink
Deel 2: Stroming
Deel 3A: Praktische aspecten
Deel 3B: Praktische aspecten (vervolg)

In een reeks van drie artikelen is getracht om op een overzichtelijke wijze de belangrijkste aspecten van het onderzoek over de simulatie van het gietproces samen te vatten. In een eerste bijdrage worden de algemene principes geschetst waarop de simulatie steunt. Bovendien wordt ingegaan op de vraag waarom simulatie in feite interessant is ter vervanging van de berekeningen, die zijn gebaseerd op de modulusmethode. Tenslotte worden specifieke fenomenen, die optreden tijdens de stolling en de navoeding nader ontleed.
In een tweede bijdrage over de simulatie van het gietproces wordt nader ingegaan op de stroming. Stroming treedt bij het maken van een gietstuk in drie gevallen op: tijdens de vormvulling, als gevolg van de natuurlijke convectie en gedurende de navoeding. De experimentele validatie van de stroming van vloeibare metalen is moeilijk, wat de schaarste aan publicaties over dit onderwerp verklaart. Op het gebied van de simulatie van de vormvulling neemt het aantal artikelen echter spectaculair toe, mede door de beschikbaarheid van voldoend snelle werkstations.
In de laatste twee bijdragen over de simulatie van het gieten wordt een aantal praktische aspecten belicht. Zo wordt onderzocht hoever het staat met het automatisch ontwerpen van het gietsysteem en welke problemen zich voordoen bij het inbrengen en het uitwisselen van geometrische informatie. De invloed van de materiaalwaarden en de vorming van een luchtspleet worden toegelicht. Er wordt uiteengezet hoe de stollingswarmte kan worden benaderd en wat uiteindelijk de mogelijkheid schept om mechanische eigenschappen in het gietstuk te voorspellen. Tenslotte worden de principes besproken, die aan de basis liggen van de "cellulaire automata".

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
C.A. van de Velde
Gietwerk Perspectief, jaargang 15 (1995), nummer 4

Deel 1: De periode van 1900 tot 1950
Deel 2: De periode van 1950 tot heden
Deel 3: De smelt-theorie

In 1993 is door de auteur van dit artikel een nieuwe theorie over de stolling van nodulair gietijzer ontwikkeld. Deze "alternatieve" opvatting maakt het mogelijk op een eenvoudige en logische wijze het ontstaan te verklaren van de grafietvormen zoals die in nodulair gietijzer kunnen voorkomen. Bovendien kunnen vrijwel alle bestaande theorieën in de nieuwe opvatting worden ingepast. Toch is het juist de algemene acceptatie van deze gevestigde theorieën, zelfs al wordt erkend dat deze onvolledig zijn, die een blokkade vormt voor een afwijkende benadering van het stollingsproces. Daarom geeft de auteur, voorafgaand aan de beschrijving van de nieuwe " Dendriet-groei-theorie", een overzicht van het ontstaan en de ontwikkeling van de verschillende meningen over de vorming van nodulen in nodulair gietijzer.

In een reeks van een drietal artikelen worden de bestaande theorieën behandeld en in de nieuwe opvatting ingepast. In deel 1 wordt een indruk gegeven van de ontwikkeling die gietijzer in de eerste helft van deze eeuw heeft doorgemaakt en wat tenslotte heeft geleid tot het ontstaan van het nodulaire gietijzer. Wat nu precies de oorzaak was van deze effectieve grafietuitscheiding was niet helemaal duidelijk, gezien de verschillende theorieën die hierover al snel werden ontwikkeld. In deel 2 wordt een verder overzicht uit de literatuur gegeven. Hieruit blijkt dat de opvatting, waarbij het ontstaan van de nodulen in de smelt wordt verondersteld, gaandeweg de overhand krijgt. In deel 3 wordt nagegaan wat eigenlijk de feitelijke bewijzen voor deze theorie zijn en hoe eensgezind de verschillende onderdelen van deze hypothese worden gehanteerd.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Dr. F. Mampaey
Gietwerk Perspectief, jaargang 15 (1995), nummer 4

Deel 1: Stolling en slink
Deel 2: Stroming
Deel 3A: Praktische aspecten
Deel 3B: Praktische aspecten (vervolg) 

In een reeks van drie artikelen is getracht om op een overzichtelijke wijze de belangrijkste aspecten van het onderzoek over de simulatie van het gietproces samen te vatten. In een eerste bijdrage worden de algemene principes geschetst waarop de simulatie steunt. Bovendien wordt ingegaan op de vraag waarom simulatie in feite interessant is ter vervanging van de berekeningen, die zijn gebaseerd op de modulusmethode. Tenslotte worden specifieke fenomenen, die optreden tijdens de stolling en de navoeding nader ontleed.
In een tweede bijdrage over de simulatie van het gietproces wordt nader ingegaan op de stroming. Stroming treedt bij het maken van een gietstuk in drie gevallen op: tijdens de vormvulling, als gevolg van de natuurlijke convectie en gedurende de navoeding. De experimentele validatie van de stroming van vloeibare metalen is moeilijk, wat de schaarste aan publicaties over dit onderwerp verklaart. Op het gebied van de simulatie van de vormvulling neemt het aantal artikelen echter spectaculair toe, mede door de beschikbaarheid van voldoend snelle werkstations.
In de laatste twee bijdragen over de simulatie van het gieten wordt een aantal praktische aspecten belicht. Zo wordt onderzocht hoever het staat met het automatisch ontwerpen van het gietsysteem en welke problemen zich voordoen bij het inbrengen en het uitwisselen van geometrische informatie. De invloed van de materiaalwaarden en de vorming van een luchtspleet worden toegelicht. Er wordt uiteengezet hoe de stollingswarmte kan worden benaderd en wat uiteindelijk de mogelijkheid schept om mechanische eigenschappen in het gietstuk te voorspellen. Tenslotte worden de principes besproken, die aan de basis liggen van de "cellulaire automata".

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Gietwerk Perspectief, jaargang 15 (1995), nummer 3

Deel 1: De periode van 1900 tot 1950
Deel 2: De periode van 1950 tot heden
Deel 3: De smelt-theorie

In 1993 is door de auteur van dit artikel een nieuwe theorie over de stolling van nodulair gietijzer ontwikkeld. Deze "alternatieve" opvatting maakt het mogelijk op een eenvoudige en logische wijze het ontstaan te verklaren van de grafietvormen zoals die in nodulair gietijzer kunnen voorkomen. Bovendien kunnen vrijwel alle bestaande theorieën in de nieuwe opvatting worden ingepast. Toch is het juist de algemene acceptatie van deze gevestigde theorieën, zelfs al wordt erkend dat deze onvolledig zijn, die een blokkade vormt voor een afwijkende benadering van het stollingsproces. Daarom geeft de auteur, voorafgaand aan de beschrijving van de nieuwe " Dendriet-groei-theorie", een overzicht van het ontstaan en de ontwikkeling van de verschillende meningen over de vorming van nodulen in nodulair gietijzer.

In een reeks van een drietal artikelen worden de bestaande theorieën behandeld en in de nieuwe opvatting ingepast. In deel 1 wordt een indruk gegeven van de ontwikkeling die gietijzer in de eerste helft van deze eeuw heeft doorgemaakt en wat tenslotte heeft geleid tot het ontstaan van het nodulaire gietijzer. Wat nu precies de oorzaak was van deze effectieve grafietuitscheiding was niet helemaal duidelijk, gezien de verschillende theorieën die hierover al snel werden ontwikkeld. In deel 2 wordt een verder overzicht uit de literatuur gegeven. Hieruit blijkt dat de opvatting, waarbij het ontstaan van de nodulen in de smelt wordt verondersteld, gaandeweg de overhand krijgt. In deel 3 wordt nagegaan wat eigenlijk de feitelijke bewijzen voor deze theorie zijn en hoe eensgezind de verschillende onderdelen van deze hypothese worden gehanteerd.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Dr. F. Mampaey
Gietwerk Perspectief, jaargang 15 (1995), nummer 3

Deel 1: Stolling en slink
Deel 2: Stroming
Deel 3A: Praktische aspecten
Deel 3B: Praktische aspecten (vervolg) 

In een reeks van drie artikelen is getracht om op een overzichtelijke wijze de belangrijkste aspecten van het onderzoek over de simulatie van het gietproces samen te vatten. In een eerste bijdrage worden de algemene principes geschetst waarop de simulatie steunt. Bovendien wordt ingegaan op de vraag waarom simulatie in feite interessant is ter vervanging van de berekeningen, die zijn gebaseerd op de modulusmethode. Tenslotte worden specifieke fenomenen, die optreden tijdens de stolling en de navoeding nader ontleed.
In een tweede bijdrage over de simulatie van het gietproces wordt nader ingegaan op de stroming. Stroming treedt bij het maken van een gietstuk in drie gevallen op: tijdens de vormvulling, als gevolg van de natuurlijke convectie en gedurende de navoeding. De experimentele validatie van de stroming van vloeibare metalen is moeilijk, wat de schaarste aan publicaties over dit onderwerp verklaart. Op het gebied van de simulatie van de vormvulling neemt het aantal artikelen echter spectaculair toe, mede door de beschikbaarheid van voldoend snelle werkstations.
In de laatste twee bijdragen over de simulatie van het gieten wordt een aantal praktische aspecten belicht. Zo wordt onderzocht hoever het staat met het automatisch ontwerpen van het gietsysteem en welke problemen zich voordoen bij het inbrengen en het uitwisselen van geometrische informatie. De invloed van de materiaalwaarden en de vorming van een luchtspleet worden toegelicht. Er wordt uiteengezet hoe de stollingswarmte kan worden benaderd en wat uiteindelijk de mogelijkheid schept om mechanische eigenschappen in het gietstuk te voorspellen. Tenslotte worden de principes besproken, die aan de basis liggen van de "cellulaire automata".

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
C.A. van de Velde
Gietwerk Perspectief, jaargang 15 (1995), nummer 2

Deel 1: De periode van 1900 tot 1950
Deel 2: De periode van 1950 tot heden
Deel 3: De smelt-theorie

In 1993 is door de auteur van dit artikel een nieuwe theorie over de stolling van nodulair gietijzer ontwikkeld. Deze "alternatieve" opvatting maakt het mogelijk op een eenvoudige en logische wijze het ontstaan te verklaren van de grafietvormen zoals die in nodulair gietijzer kunnen voorkomen. Bovendien kunnen vrijwel alle bestaande theorieën in de nieuwe opvatting worden ingepast. Toch is het juist de algemene acceptatie van deze gevestigde theorieën, zelfs al wordt erkend dat deze onvolledig zijn, die een blokkade vormt voor een afwijkende benadering van het stollingsproces. Daarom geeft de auteur, voorafgaand aan de beschrijving van de nieuwe " Dendriet-groei-theorie", een overzicht van het ontstaan en de ontwikkeling van de verschillende meningen over de vorming van nodulen in nodulair gietijzer.

In een reeks van een drietal artikelen worden de bestaande theorieën behandeld en in de nieuwe opvatting ingepast. In deel 1 wordt een indruk gegeven van de ontwikkeling die gietijzer in de eerste helft van deze eeuw heeft doorgemaakt en wat tenslotte heeft geleid tot het ontstaan van het nodulaire gietijzer. Wat nu precies de oorzaak was van deze effectieve grafietuitscheiding was niet helemaal duidelijk, gezien de verschillende theorieën die hierover al snel werden ontwikkeld. In deel 2 wordt een verder overzicht uit de literatuur gegeven. Hieruit blijkt dat de opvatting, waarbij het ontstaan van de nodulen in de smelt wordt verondersteld, gaandeweg de overhand krijgt. In deel 3 wordt nagegaan wat eigenlijk de feitelijke bewijzen voor deze theorie zijn en hoe eensgezind de verschillende onderdelen van deze hypothese worden gehanteerd.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
C.J. van Ettinger & A.A.G. Hartings
Gietwerk Perspectief, jaargang 14 (1994), nummer 6

Het "Tundish" proces is een al langer bestaand behandelingsproces voor de productie van nodulair gietijzer. Sinds 1980 wordt het wereldwijd toegepast voor behandelgroottes van 300 tot 2000 kg. De draadbehandelingsmethode, met hetzelfde doel, doet sinds begin jaren tachtig van de vorige eeuw zijn opmars. Deze methode is bijvoorbeeld enige jaren operationeel geweest in de gieterij van Waeles Nederland B.V. te Nieuw Vennep. Zoals vele behandelingsmethodes kent elke methode specifieke toepassingen. Gebleken is nu dat voor de productie van nodulair gietwerk op een Disamatic-machine de draadmethode als behandelingsmethode ongeschikt is. De problematiek daarvan wordt in dit artikel beschreven aan de hand van de omschakeling van de draad- naar de Tundish-methode bij gieterij Waeles Nederland B.V. Na een vergelijkend onderzoek naar behandelingsmethodes bleek voor deze toepassing het Tundish-proces een beter en vooral goedkoper alternatief te zijn.
Ondanks het grote bedieningsgemak bij de draadmethode, kon door toepassing van een simpele techniek een gelijke productiesnelheid worden verkregen. Het Tundish-proces wordt uitvoerig beschreven, waarbij aan de hand van ervaringen wordt getoond welke factoren van invloed zijn op het behandelingsrendement. 

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
P.C. van Eldijk, J. Kaspers, H. van Lipzig, F. Lietaert
Gietwerk Perspectief, jaargang 14 (1994), nummer 5

Voor de automobiel- en vrachtwagenindustrie is het terugdringen van massa en kosten tezamen met een steeds verbeterende productprestatie van essentieel belang. Om mee te kunnen doen in de drang tot besparing aan massa, zullen producten uit nodulair gietijzer in een steeds geringere wanddikte, tot 3 mm en minder, gegoten moeten kunnen worden. Dergelijke producten moeten dan bruikbaar zijn met een minimum aan verspanende bewerking; bovendien worden hoge eisen aan sterkte en levensduur gesteld. Dat deze doelstelling thans gerealiseerd kan worden laat dit artikel zien aan een drietal prototypen. De resultaten zijn verkregen uit een gemeenschappelijk onderzoekproject met verschillende deelnemers.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Ir. H.M. van der Donk
Gietwerk Perspectief, jaargang 14 (1994), nummer 5

Deel 1: Algemeen
Deel 2: Kinetiek 

Er is al veel geschreven over het ontgassen van aluminium en over ontgassingstechnieken. Vooral artikelen van minder recente datum spreken elkaar vaak tegen, meestal als gevolg van de moeilijkheden met het nemen van goede en representatieve analysemonsters en door het ontbreken van een goede meettechniek voor het meten van de hoeveelheid opgeloste waterstof in het aluminium. Een recent wiskundig model, dat wordt ondersteund door experimenten, heeft aangetoond dat het ontgassingproces van aluminium wordt beheerst door drie hoofdparameters: de smelttemperatuur, de diameter van de belletjes van het spoelgas en de samenstelling van het spoelgas. In dit artikel worden enkele mogelijkheden en onmogelijkheden van het ontgassen van aluminiumlegeringen besproken, daarbij gebruikmakend van de recente inzichten. Deel 1 geeft een algemene inleiding. In deel 2 wordt het wiskundige model besproken en wordt ingegaan op de keuze van het spoelgas. Er is een uitgebreide literatuurverwijzing opgenomen.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Ir. H.M. van der Donk
Gietwerk Perspectief, jaargang 14 (1994), nummer 4

Deel 1: Algemeen
Deel 2: Kinetiek

Er is al veel geschreven over het ontgassen van aluminium en over ontgassingstechnieken. Vooral artikelen van minder recente datum spreken elkaar vaak tegen, meestal als gevolg van de moeilijkheden met het nemen van goede en representatieve analysemonsters en door het ontbreken van een goede meettechniek voor het meten van de hoeveelheid opgeloste waterstof in het aluminium. Een recent wiskundig model, dat wordt ondersteund door experimenten, heeft aangetoond dat het ontgassingproces van aluminium wordt beheerst door drie hoofdparameters: de smelttemperatuur, de diameter van de belletjes van het spoelgas en de samenstelling van het spoelgas. In dit artikel worden enkele mogelijkheden en onmogelijkheden van het ontgassen van aluminiumlegeringen besproken, daarbij gebruikmakend van de recente inzichten. Deel 1 geeft een algemene inleiding. In deel 2 wordt het wiskundige model besproken en wordt ingegaan op de keuze van het spoelgas. Er is een uitgebreide literatuurverwijzing opgenomen. 

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Ir. J. van Falier
Gietwerk Perspectief, jaargang 14 (1994), nummer 4

Metaal-matrix composieten, afgekort MMC's, genieten tegenwoordig een ruime belangstelling. Vooral in de Verenigde Staten en Japan vindt intensief onderzoek plaats naar het gedrag van MMC's tijdens het mengen en het verwerken tot eindproduct. In deze landen vinden momenteel ook de eerste commerciële toepassingen van dit materiaal plaats. Een aantal bedrijven brengt tegenwoordig voorlegeringen van aluminium met composietdeeltjes op commerciële schaal op de markt. In het Laboratorium voor Materiaalkunde van de TU Delft wordt onderzoek verricht naar de (ver)gietbaarheid van een DURALCAN-legering, bestaande uit de aluminiumlegering AA 359 (Al met 9% Si en 0,5% Mg) met 10% SiC-deeltjes. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het lage-druk gietproces. 

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
lr. G.D. Henderieckx
Gietwerk Perspectief, jaargang 14 (1994), nummer 3

Deel 1: Mechanische eigenschappen bij kamertemperatuur
Deel 2: Eigenschappen bij verhoogde temperatuur
Deel 3: Eigenschappen bij lage temperatuur; slijtage en corrosie

Het aanbod aan constructiematerialen is de laatste decennia aanzienlijk toegenomen: nieuwe ijzerlegeringen, niet-ijzer legeringen, kunststoffen en vezel versterkte materialen. Bij de keuze van een materiaal spelen aspecten zoals prijs, verkrijgbaarheid van het materiaal, bewerkbaarheid, lasbaarheid, etc. een rol. Deel I behandelt de mechanische eigenschappen bij kamertemperatuur. Het tweede deel gaat in op de eigenschappen bij verhoogde temperatuur, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen temperaturen onder en boven 650°C. Tevens worden aspecten van een wisselende temperatuurbelasting besproken. Het derde en laatste deel uit de serie behandelt de materiaalkeuze voor lage temperaturen. Ook wordt het keuzeprobleem bij slijtage en onder corrosieve omstandigheden behandeld. De gehanteerde nomenclatuur voor de legeringen is die volgens DlN, die uitgebreid in deel I van deze serie artikelen wordt besproken.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
lr. G.D. Henderieckx
Gietwerk Perspectief, jaargang 14 (1994), nummer 2

Deel 1: Mechanische eigenschappen bij kamertemperatuur
Deel 2: Eigenschappen bij verhoogde temperatuur
Deel 3: Eigenschappen bij lage temperatuur; slijtage en corrosie

Het aanbod aan constructiematerialen is de laatste decennia aanzienlijk toegenomen: nieuwe ijzerlegeringen, niet-ijzer legeringen, kunststoffen en vezel versterkte materialen. Bij de keuze van een materiaal spelen aspecten zoals prijs, verkrijgbaarheid van het materiaal, bewerkbaarheid, lasbaarheid, etc. een rol. Deel I behandelt de mechanische eigenschappen bij kamertemperatuur. Het tweede deel gaat in op de eigenschappen bij verhoogde temperatuur, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen temperaturen onder en boven 650°C. Tevens worden aspecten van een wisselende temperatuurbelasting besproken. Het derde en laatste deel uit de serie behandelt de materiaalkeuze voor lage temperaturen. Ook wordt het keuzeprobleem bij slijtage en onder corrosieve omstandigheden behandeld. De gehanteerde nomenclatuur voor de legeringen is die volgens DlN, die uitgebreid in deel I van deze serie artikelen wordt besproken.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
J.J.A. Kurstjens
Gietwerk Perspectief, jaargang 14 (1994), nummer 2

Het vacuüm vormen in folie is een vormmethode die in vele opzichten voldoet aan de eisen van deze tijd maar die door veel gieterijtechnici en ontwerpers nog niet als zodanig wordt gezien. Het onbekend zijn betekent bij de beoordeling van de mogelijkheden van deze vormmethode - zoals in zoveel situaties het geval is - dat door ongefundeerde redenen een objectieve beoordeling niet op gang komt of zelfs geheel wordt geblokkeerd. De methode is geschikt om een breed gietwerkassortiment te produceren met een zeer interessante verhouding van kwaliteit en prijs. Het artikel licht een aantal aspecten van het vacuüm vormen in folie nader toe.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
G.J. van Ettinger
Gietwerk Perspectief, jaargang 14 (1994), nummer 1

Nodulair gietijzer is door zijn stollingswijze gevoeliger voor carbidevorming dan lamellair gietijzer. Vooral bij serie-gietwerk is de tendens aanwezig naar dunnere wanddiktes en hogere mechanische eigenschappen, die de kans op carbidevorming vergroten. Het steeds wisselende aanbod van grondstoffen, productiemethoden en nieuw te produceren gietstukken in de gieterij, zijn de oorzaken van een verhoogd risico van carbidevorming.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
lr. G.D. Henderieckx
Gietwerk Perspectief, jaargang 14 (1994), nummer 1

Deel 1: Mechanische eigenschappen bij kamertemperatuur
Deel 2: Eigenschappen bij verhoogde temperatuur
Deel 3: Eigenschappen bij lage temperatuur; slijtage en corrosie 

Het aanbod aan constructiematerialen is de laatste decennia aanzienlijk toegenomen: nieuwe ijzerlegeringen, niet-ijzer legeringen, kunststoffen en vezel versterkte materialen. Bij de keuze van een materiaal spelen aspecten zoals prijs, verkrijgbaarheid van het materiaal, bewerkbaarheid, lasbaarheid, etc. een rol. Deel I behandelt de mechanische eigenschappen bij kamertemperatuur. Het tweede deel gaat in op de eigenschappen bij verhoogde temperatuur, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen temperaturen onder en boven 650°C. Tevens worden aspecten van een wisselende temperatuurbelasting besproken. Het derde en laatste deel uit de serie behandelt de materiaalkeuze voor lage temperaturen. Ook wordt het keuzeprobleem bij slijtage en onder corrosieve omstandigheden behandeld. De gehanteerde nomenclatuur voor de legeringen is die volgens DlN, die uitgebreid in deel I van deze serie artikelen wordt besproken.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Dr. ir. Gh. Defrancq
Gietwerk Perspectief, jaargang 13 (1993), nummer 6

In dit artikel wordt aandacht besteed aan het chemisch gebonden vorm- en kernzand. Besproken worden de vinvorming, de penetratie, opname van zwavel, opname van fosfor, erosiefouten en het optreden van krimpscheuren.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
J. Campbell
Gietwerk Perspectief, jaargang 13 (1993), nummer 6

Op veel gebieden bij de productie van gietstukken uit lichte legeringen gaat de ontwikkeling door in de richting van het verkrijgen van verbeterde combinaties van laag gewicht, sterkte, nauwkeurigheid, vrii van fouten, goede oppervlakte gesteldheiden lage kosten. Dit is een lange lijst van criteria waar tegelijk aan moet worden voldaan. Het resultaat is dat deze doelstellingen vaak als onbereikbaar werden gezien. Met name de hoge kwaliteitseisen wat betreft nauwkeurigheid en afwezigheid van fouten bleken tot nu toe niet verenigbaar met lage kosten. Dit artikel is een uitbreiding en op de laatste stand brengen van eerdere overzichten van de auteur waarin de vorderingen op weg naar dit doel worden samengevat.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Dr.ir. Ch.Defrancq
Gietwerk Perspectief, jaargang 13 (1993), nummer 5

ln de serie over gietfouten is reeds eerder de invloed van opgeloste gassen in het vloeibare metaal en de invloed van de vormwandreacties behandeld 111. ln dit artikel komen de gietfouten ter sprake die kunnen optreden bij het gebruik van klei-gebonden vormzand.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
C.H.M. Jansen
Gietwerk Perspectief, jaargang 13 (1993), nummer 4

Sinds 1989 wordt bij Metaalgieterij G. Giesen BV het vloeibare aluminium door middel van het Aluclean proces gereinigd en ontgast. Op basis van gedegen vooronderzoek werd destijds besloten, deze methode als de meest geschikte voor de zandgieterij in gebruik te nemen. Nu, in 1993, is dit procédé nog steeds de beste keuze gebleken.

Door een perfecte combinatie en integratie van computersystemen, automatisering en ontgassingsmethode is dit systeem nog modern en flexibel. De methode is bijzonder geschikt voor de produktie van complexe en hoogwaardige aluminium gietstukken. Geheel in de traditie van het bedriif is hierbij een zeer hoog en traceerbaar kwaliteitsniveau ' bereikt, waarbij alle noodzakelijke gegevens via
computersystemen geregistreerd worden.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
P.C. van Biggen
Gietwerk Perspectief, jaargang 13 (1993), nummer 4

De leveranciers van voorlegeringen vormen een belangrijke schakel in de gieterij-industrie, omdat zij door middel van deze voorlegeringen zorgen voor een goede beheersbaarheid en de kwaliteit van het vloeibare metaal. Tevens wordt een uitstekende controle over de gietstructuur na stolling bereikt. Gieterijtechnici zijn daardoor in staat om gietstukken te vervaardigen met optimale technologische eigenschappen en met de vereiste integriteit. Consistentie in produktkwaliteit is daarvan het resultaat. Kawecki-Billiton Metaalindustrie te Delfzijl in Nederland is een wereldwijde leverancier van aluminium voorlegeringen. Zij produceert en ontwikkelt specifieke voorlegeringen voor korrelverfijning, veredeling en voor het op de gewenste samenstelling brengen van het metaal. ln dit artikel wordt een overzicht gegeven van de beschikbare voorlegeringen. Voorbeelden van hun nut en toepassing specifiek voor de gieterij-industrie worden besproken. Ontwikkelingen in deze produkten, alsmede de bruikbaarheid van de voorlegeringen ten aanzien van statistische procescontrole (SPC) worden toegelicht.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Ing. C.J.C. Veelenturf
Gietwerk Perspectief, jaargang 13 (1993), nummer 3

De veredeling met natrium van een aluminium-silicium legering bepaalt in hoge mate de kwaliteit van het gegoten produkt. Vanwege het snelle verlies aan natrium door verdamping en oxidatie, de verwijdering van natrium bij de chloorontgassing en de eis dat er geen natrium mag zijn bij aanwezigheid van fosfor, maakt het betrouwbaar en efficiënt meten van de veredelingsgraad absoluut noodzakelijk.

In het navolgende artikel worden enkele aspecten van die controle behandeld. Van de aluminium gietlegeringen vormen die met silicium als hoofdlegeringselement wel de belangrijkste groep. Dit wordt veroorzaakt door hun zeer goede vloeibaarheid, goede corrosieweerstand, goede lasbaarheid en door hun lage thermische uitzettingscoëfficiënt. Commerciële legeringen zijn verkrijgbaar met onder-eutectische, eutectische of over-eutectische samenstellingen. Bij legeringen met een silicium-gehalte van 5 tot 12% wordt ter optimalisatie van de stollingsstructuur een modificatiebehandeling toegepast.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Ir. H.M. van der Donk
Gietwerk Perspectief, jaargang 13 (1993), nummer 2

Aluminium-Lithium (AlLi) legeringen staan sinds het begin van de jaren tachtig volop in de belangstelling. Ze zijn gemiddeld 5-15% lichter dan de andere aluminium-legeringen, terwijl de sterkte die van de hoog gelegeerde aluminium-legeringen benadert of overtreft. Door een gunstige sterkte-gewichtsverhouding heeft met name de zogenaamde aerospace-industrie een grote belangstelling voor deze legeringen. De verwerking van Alli-legeringen kent echter wel een aantal opmerkelijke verschillen met conventionele legeringen. De hier gepresenteerde resultaten zijn afkomstig uit een literatuuronderzoek dat door Hoogovens is uitgevoerd over de vraag hoe AlLi-legeringen worden geproduceerd.Het merendeel van de Alli-legeringen wordt als wals-, extrusie- of smeedlegering vervaardigd, maar ook worden deze legeringen steeds meer toegepast als gietlegering. Omdat dit type legering ook interessant zal worden voor een aantal gespecialiseerde gieterijen worden de belangrijkste aandachtspunten hier vermeld.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Dr. Ir. Ch. Defrancq
Gietwerk Perspectief, jaargang 13 (1993), nummer 1

Bij het gieten van gietijzer wordt de gieterijtechnicus van tijd tot tijd geconfronteerd met gasinsluitingen, zowel binnenin het gietstuk als in de randzone. Een goede beoordeling en een analyse van een dergelijke gietfout is een noodzaak voor de te nemen maatregelen ter voorkoming
ervan. Dit artikel geeft systematisch een overzicht van de verschillende oorzaken van gasinsluitingen in gietwerk van gietijzer.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
R. van Tol
Gietwerk Perspectief, jaargang 13 (1993), nummer 1

Een belangrijke stap bij de productie van gietstukken is het vullen van de gietvorm. De manier waarop het vloeibare metaal zich in de vormholte verplaatst is vaak beslissend voor de kwaliteit van het eindproduct, vooral bij dunwandig gietwerk. De ontwikkelingen op het gebied van de simulatie van het gieten gaan snel, waardoor in een groot aantal gevallen het vullen van de gietvorm per computer kan worden uitgerekend. Het resultaat van die berekeningen is vaak verrassend, maar door directe waarneming moet toch worden nagegaan of zo'n resultaat ook voldoende realistisch is. Het artikel geeft enkele voorbeelden.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Ing. H.J. Gosselink
Gietwerk Perspectief, jaargang 12 (1992), nummer 6

De laatste jaren is de tendens naar lichter en dunwandig gietwerk steeds groter geworden. Bovendien worden de bewerkingstoeslagen door de afnemers beperkt gehouden. Deze ontwikkelingen benadrukken de noodzaak van een beheerst gieterijproces, waarvan het toegepaste gietsysteem een belangrijke parameter is. De gewenste giettijd is hierbij de basis voor de verdere berekening van het gietsysteem. In dit artikel wordt nader ingegaan op enkele aspecten betreffende het berekenen van 

de giettijd voor zandvormen met een verticale deling. In een volgend artikel zal een watersimulatie-onderzoek worden besproken, dat gebruikt is om de werking van een bestaand gietsysteem te controleren. Beide studies zijn meer in detail beschreven in een scriptie ten behoeve van de post-HBO opleiding voor "Gieterij-ingenieur".

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
M.H.F. van Woensel
Gietwerk Perspectief, jaargang 12 (1992), nummer 5

Bij Nedstaal B.V. te Alblasserdam stolt jaarlijks 200.000 – 250.000 ton staal in blokvorm. Nedstaal produceert een volledig pakket hoogwaardige staalsoorten, waaronder walsdraad (in diameters van 5,5 - 27,5 mm) en getrokken draad (in diameters van 1,O - 27 ,5 mm). Deze draadsoorten worden door afnemers voor uiteenlopende toepassingen gebruikt: bevestigingsartikelen zoals schroeven, bouten en moeren, maar ook voor lasdraden, kogellagers, veren, kettingen, schokbrekers, naalden en gereedschappen. 

Nedstaal maakt uitsluitend gebruik van het blokgietproces en beschikt niet over een continu-giet-installatie. Het blokgieten heeft nadelen en voordelen ten opzichte van het continu-gieten. ln het kader van dit historisch overzicht kan worden volstaan met de opmerking dat het blokgieten wereldwijd nog steeds belangrijk is. Gedurende de meer dan vijftig jaar dat Nedstaal staal produceert heeft het blokgietproces een grote ontwikkeling doorgemaakt, die in dit artikel toegelicht zal worden.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Cor van Ettinger
Gietwerk Perspectief, jaargang 12 (1992), nummer 4

Sinds de ontwikkeling van nodulair gietijzer in 1947 door enerzijds Miles in Amerika en Morrough in Engeland is er veel kennis vergaard over het fenomeen 'nodulair'. Al snel was bekend dat een aantal elementen de noduulvorming in de hand werkte en een aantal elementen deze tegen werkte. Nu weten we dat zo’n dertig elementen de noduulvorming verstoren. Het artikel geeft een overzicht van alle elementen waarvan Motz jaren geleden de maximaal acceptabele waarden heeft vastgelegd. De ontwikkeling in de productie van nodulair gietijzer heeft zich gericht op de toevoegingmogelijkheden van magnesium. Door het ontbreken van pure magnesium behandelingsprocessen in Nederland wordt hier niet verder op ingegaan.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
Ing. J. Kosters
Gietwerk Perspectief, jaargang 12 (1992), nummer 4

Er zijn verschillende manieren om met succes nodulair gietijzer te vervaardigen. Eén ervan is het z.g. inmold procedé. Dit is een tamelijk unieke methode omdat slechts bij weinig gieterijen in Europa het nodulaire gietijzer direct in de vorm wordt gemaakt. Bij Vulcanus in Vaassen wordt het nodulaire gietijzer echter bijna uitsluitend met het inmold procedé geproduceerd. Dit gebeurt op zowel een hogedruk vormmachine met horizontaal gedeelde vormen als op een hogedruk vormmachine met verticaal gedeelde vormen. Beide vormmachines zijn gecombineerd met een gietautomaat. Op de Disamatic wordt standaard het vertraagde inmold procedé toegepast. Met een aanpassing van het gietsysteem kan sinds kort echter ook het directe inmold procedé worden gebruikt. De voorliggende studie had ten doel de voor- en nadelen na te gaan van het directe inmold procedé op de Disamatic vormmachine ten opzichte van het bestaande vertraagde inmold procedé.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
H. Bruckmann
Gietwerk Perspectief, jaargang 12 (1992), nummer 3

Afhankelijk van de eisen en de gietprogramma’s van ijzergieterijen zijn er verschillende processen om met magnesium nodulair gietijzer te maken. Vanwege de steeds toenemende kwaliteitseisen aan de gieterijen werd in het begin van de tachtiger jaren de magnesiumbehandeling met gevulde draad ontwikkeld. Dit proces is nu een van de modernste magnesiumbehandelingen voor de productie van ductiel gietijzer. Er wordt hierbij een stalen draad, gevuld met een magnesiumlegering, in de smelt gebracht.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.
J. Kikkert, J. van Falier
Gietwerk Perspectief, jaargang 12 (1992), nummer 1

Bij de "Seiatsu" verdichtingsmethode wordt de verdichting van het kleigebonden vormzand bereikt in twee stappen, namelijk voorverdichting door middel van een kort durende luchtstroom door het zand gevolgd door naverdichting door middel van een hogedruk meerstempelpers. Om een goede voorverdichting door middel van de luchtstroom mogelijk te maken, moeten in de modelplaatdrager en eventueel ook in de modelplaat, ontluchtingszeefjes worden aangebracht, die van een aantal zeer smalle spleten (0,3 mm) zijn voorzien. Om de werking van deze zeefjes bij het voorverdichtingsproces te bestuderen, is een onderzoekprogramma uitgevoerd, waarbij het effect van aantal, grootte en positionering van de zeefjes op de mate van voorverdichting is onderzocht.

Deze publicatie is alleen beschikbaar voor leden. Klik hier voor meer informatie.

Indien u lid bent van de NVvGT kunt u de publicaties in deze categorie downloaden voor eigen gebruik. Het is niet toegestaan ze verder te verspreiden of openbaar te maken.